www.sikoss.info

Samenwerkend Internationaal Kennis centrum Openbaar vervoer Stad & Streek.

De OR versus de RI&E.

WOR art. 28 - Arbo en arbeidstijden

Artikel 28
1. De ondernemingsraad bevordert zoveel als in zijn vermogen ligt de naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, alsmede van de voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids- en rusttijden van de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemingsraad bevordert voorts naar vermogen het werkoverleg, alsmede het overdragen van bevoegdheden in de onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het onderdeel van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
3. De ondernemingsraad waakt in het algemeen tegen discriminatie in de onderneming en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en minderheden in de onderneming.
4. De ondernemingsraad bevordert naar vermogen de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorzieningen in verband met het milieu.

 

2002 busbaanlitaratuurwijk

 Werk aan de winkel op de busbaan.

 

Volharding?

Tot onze ergernis lezen wij dat CXX zijn rijdend personeel nog steeds buiten de RI&E heeft gehouden en nog steeds geen onderzoek heeft gedaan naar het torenhoge verzuim onder zijn oudere chauffeurs.

 


In de gezamenlijke nieuwsbrief van de OR en de directie van de overlegvergadering 14 juli 2015 staat te lezen:

Initiatiefvoorstel uitbreiding Risico Inventarisatie & Evaluatie.
In de RI&E is geen onderdeel opgenomen voor de werkplek chauffeur. De OR vind dit vreemd en heeft daarom een voorstel ingediend om de werkplek mee te nemen in de RI&E. De OR heeft een checklist werkplek chauffeur opgesteld ter aanvulling op de RI&E. De directie heeft ingestemd om dit via zogenaamde verbeterteams in gang te zetten. Een en ander wordt nog uitgewerkt en naar de rayons en RC’s gestuurd.


 

De directie heeft ingestemd met haar eigen plannetje verbeterteams te betrekken om hun werkplek te beoordelen met een checklist. Sikoss dacht dat daar een Arbo specialist van een andere arbodienst voor ingehuurd was?  Het kan toch niet zo zijn dat de directie haar wettelijke verplichtingen nu overhevelen naar vage zogenaamde verbeterteams, zijn ze nu helemaal van de ratten besnuffelt. Als ze dat een en ander net zo snel uitwerken als het opstarten van een kenniscentrum over arbeidsomstandigheden in het openbaar vervoer maken we dat allemaal niet eens meer mee. Ze huren speciaal iemand in met de opdracht expres niet te kijken naar de werkplek van de chauffeur en willen dan onwetende ondeskundigen onder invloed van een bazige manager de zaken even laten regelen. Die checklist zal wel een combinatie zijn van het eisenpakket waar een bus aan moet voldoen voor deze wordt aangeschaft. Die lijst die bus fabrikanten zelf in mogen vullen en waarvan niemand precies weet, welke bus aan welke eisen moet voldoen.

Het instemmingsverzoek inzake uitvoering Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) bij CXX openbaar vervoer welke CXX  bij de OR heeft voorgelegd om te tekenen staat vol met vage niets zeggende volzinnen, met en/of verwijzingen die buiten de preventiemedewerker om taken uitdeelt aan ondeskundige personen met een tijdspad die zo ruim is dat we nu al kunnen zeggen dat CXX de zaken weer jaren op kan schuiven. Nogmaals, de ondernemingsraadsleden kunnen, als ze zelf niet uitkomen kennis inkopen.  T. Vegter, de COO op dat moment heeft die doolhof intentie door een jurist laten schrijven. Dus hoeven raadsleden er ook zelf niets van te vinden. Dat hadden ze moeten laten doen door een specialist in ontwijkende volzinnen en vage niets vastleggende afspraken.  Wat een rattenstreek.   

De heer T. Vegter heeft in het voorjaar van 2015 CXX verlaten en heeft zich in de zelfde maand nog ingeschreven bij de kamer van koophandel waardoor hij belasting technisch geheel correct nog jaren factuurtjes kan schrijven voor vage adviezen aan zijn kornuiten. (Genoeg BVtjes in het moederbedrijf om de belastingdienst te overtuigen feitelijk niet meer in loondienst te zijn.  Een constructie die meerdere oud directeuren  van VSN al jaren lang behendig gebruiken om het karige pensioen wat op te sieren. Let wel: dit is een aanname die alleen de FIOD kan bevestigen of tegenspreken.)      

 

 2014 busbaan31

 


 

 (Bron Paul Buijs  06-29349584)

Naast de formele positie van de OR die geborgd is in de WOR en art. 12 van de Arbowet is het als er taak om als OR goed te kijken naar de kwaliteit van de RI&E. Daar schort het meestal nog wel aan. Daar doet de toetsing van de RI&E door een gecertificeerde kerndeskundige niet veel aan af. Globale toets door de OR op basis van volledigheid,betrouwbaarheid en voldoende diepgang. Extra aandacht is wenselijk als er door een deskundige een vaag en slecht onderzoek is gedaan naar arbeidsgezondheidskundige problemen. Het is niet mogelijk dat er in het openbaar vervoer al twintig jaar geen problemen worden gevonden terwijl in die specifieke bedrijfstak overal in de wereld tegen gezondheidkundige problemen aan loopt, al dertig jaar verschijnen er rapporten over een extreme ziekte verzuim en hoge uitval voor de pensioen gerechtige leeftijd.

opdrachten or

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De OR dient dit te controleren en te bepalen of de gevonden knelpunten na een inzichtelijk prioriteitsstelling worden verwerkt in het plan van aanpak en een check op de nadere inventarisatie (verplichting uit het Arbobesluit) naar het oordeel van de kerndeskundige, en of er aandacht is voor bijzondere groepen. De OR bewaakt de voortgang van het plan van aanpak (waarin wat, hoe, wie, wanneer en de beschikbare middelen) en bespreekt dit op gezette tijden met de arbo verantwoordelijke en monitoren met bijv. de Preventiemedewerker zodat de directie daar niet teveel mee wordt belast.Verder dient de RI&E in te gaan op alle risico's en beleidsaspecten dus ook t.a.v. PSA. 

De OR heeft in het kader van het Arbobeleid recht op de volgende informatie:
                        • Exemplaar van de Arbocatalogus
                        • Exemplaar van de RI&E’s
                        • Plannen van aanpak naar aanleiding van de uitgevoerde RI&E’s
                        • Afschrift van de adviezen van de Arbodienst over de RI&E’s
                        • Afschriften van inspectie- en ongeval rapporten vanuit de Inspectie SZW met vervolgacties
                        • Afschriften van de werkgever van verzoek om ontheffing voorschrift uit Arbowet
                        • Alle informatie die de OR nodig heeft om het Arbobeleid te kunnen toetsen


Vanuit de Wet op de Ondernemingsraden heeft de OR instemmingsrecht bij vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling over de volgende thema’s op het gebied van Arbobeleid:
                        • Inhoud en organisatie van de risico-inventarisatie en –evaluatie en plan van aanpak
                        • Veiligheidsbeleid en veiligheidsprocedures
                        • Keuze Arbodienst of inrichting interne Arbodienst
                        • Afsluiten/veranderen contract Arbodienst (inhoud)
                        • Vormgeven ziekteverzuimbeleid en Re-integratiebeleid
                        • Organisatie/inrichting Bedrijfshulpverlening (BHV)
                        • Inrichting/taken preventiemedewerker

opdrachten or1 

Als aanvulling nog een overzicht, als je meer integraal naar Arbo kijkt:

  1. Overige instemmingszaken
  2. Bedrijfsmaatschappelijk werk
  3. Regeling werkoverleg
  4. Klachtenregelingen
  5. Werktijden- en vakantieregelingen

 

Link naar het adviesrecht

  1. Doen van belangrijke investeringen (gevolgen voor medewerkers)
  2. Invoeren van belangrijke technologische voorzieningen

Rechten inzake Inspectie SZW

  1. Vergezelrecht bij inspectiebezoek
  2. Gesprek onder vier ogen met inspecteur
  3. Verzoeken om onderzoek te doen in de organisatie

OR kan in beroep gaan tegen beslissing van de Inspectie SZW

Overige rechten inzake Arbobeleid
                       

  1. In Cao kunnen afspraken staan over Arbo- en verzuimbeleid
  2. Initiatiefrecht: OR kan zelf voorstellen doen
  3. OR kan vaste Arbocommissie instellen
  4. OR kan deskundigen op gebied van Arbo raadplegen
  5. Arbocommissie OR heeft recht op scholing.

opdrachten or3 

Binnen openbaar vervoerland is het lopen van een gehele RI&E nog even geen gewoonte, op de een of andere manier is het bij de werkgevers na negentien jaar nog niet doorgedrongen dat ook openbaar vervoerbedrijven zich aan de Arbowet dienen te houden, binnen openbaar vervoer bedrijven zijn onderzoeksrapporten met duidelijke overbelastende eindconclusies jarenlang verborgen gehouden voor de werkvloer. Tot nu toe hebben de ondernemingsraden in het gehele openbaar vervoer op onverklaarbare wijze nog geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheden binnen de WOR art 28 lid 1. om de werkgevers er van te overtuigen zich aan de regelgeving van de Arbowet te houden.

 2014 busbaan31

 

 

De OR als bewaker van arbeidsomstandigheden

Prof.mr. L.C.J.Sprengers

1. Inleiding

 

In zijn proefschrift concludeert Geers dat de vraag of een verbetering van de positie van de werknemer op het gebied van de humanisering van de arbeid door het recht, maar vooral door wetgeving, kan worden afgedwongen, in beginsel positief moet worden beantwoord. Tegelijkertijd constateert hij dat de arbeidsomstandighedenwet zich kennelijk beter leent voor de vaststelling van minimale eisen op het gebied van de veiligheid en de gezondheid en voor het creëren van organisatorische voorwaarden zoals collectief overleg, dan voor het garanderen van individuele aanspraken op humane arbeidsomstandigheden. Het zou daarom van belang zijn dat de individuele werknemer over eigen juridische actiemogelijkheden beschikt. En daar zit juist het probleem, aldus Geers: voor het praktisch inhoud geven aan de juridische normen is hij vooral afhankelijk van de wetgever, en voor het afdwingen ervan vooral van de OR.1 Deze conclusie van Geers is aanleiding om in te gaan op de rol van de OR bij het afdwingen van de juridische normen met betrekking tot arbeidsomstandigheden. De OR als bewaker van de arbeidsomstandigheden.

 

Afbakening

 

De rol van de OR als bewaker van de arbeidsomstandigheden kan op verschillende momenten en in verschillende vormen naar voren komen. Te onderscheiden zijn de rol als initiator, (mede) beleidsbepaler, adviseur en controleur. Rollen die tot uiting komen in de verschillende bevoegdheden die in de WOR en Arbeidsomstandighedenwet aan de OR worden toegekend. Ik zal niet ingaan op een kwalitatieve beoordeling van de rol van de OR bij arbeidsomstandigheden. Popma heeft recent het Arbo-effect van medezeggenschap in zijn proefschrift onderzocht.2 Ik beperk mij in dit artikel tot de vraag of uit de rechtspraak op het terrein van de arbeidsomstandigheden conclusies te trekken zijn over de mate waarin en de wijze waarop de OR gebruik maakt van zijn juridische bevoegdheden om op te treden als bewaker van de arbeidsomstandigheden binnen de onderneming.

 

Juridische instrumenten van de OR

 

De mogelijkheden voor een ondernemingsraad om in een juridische procedure op te treden als bewaker van de arbeidsomstandigheden binnen de onderneming zijn vooral in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) geregeld. Ik zal hierna ingaan op de rechtspraak over het instemmingsrecht (par. 2) en het adviesrecht (par 3). Ook ten aanzien van geschillen over te verschaffen informatie of het ter beschikking stellen van faciliteiten in relatie tot aangelegenheden die betrekking hebben tot arbeidsomstandigheden, kan zich een juridisch geschil voordoen. Dit heeft dan betrekking op de facilitering van de ondernemingsraad om zijn taken goed te kunnen verrichten. Ik zal daar geen aandacht aan besteden omdat dit een afgeleide is van de probleemstelling alsmede vanwege het feit dat hierover nauwelijks jurisprudentie beschikbaar is.

In de Arbeidsomstandighedenwet is voorzien in de mogelijkheid dat de OR de Arbeidsinspectie kan inschakelen met het verzoek om een onderzoek in te stellen. Bij de invoering van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is de mogelijkheid om aan de Arbeidsinspectie wetstoepassing te vragen komen te vervallen. De motivatie hiervoor is dat de ondernemingsraad ook het recht heeft een klacht in te dienen op grond van art. 5 Grondwet. Ik zal ook nagaan in welke mate ondernemingsraden van deze mogelijkheid gebruik maken (par. 4).

 

2. Instemmingsrecht

 

In artikel 27 lid 1 sub d WOR is aan ondernemingsraden een instemmingsrecht toegekend over voorgenomen besluiten van de ondernemer tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden. Eerder ook aangeduid in de WOR als regeling op het terrein van de veiligheid en gezondheid en welzijn in verband met arbeid. In 1998 is het ziekteverzuimbeleid aan dit instemmingsrecht toegevoegd en sinds 2001 is met de inwerkingtreding van de Wet SUWI ook het reintegratiebeleid expliciet onder dit onderdeel van het instemmingsrecht gebracht. Als gekeken wordt naar de omvang van de jurisprudentie op grond van artikel 27 lid 1 sub d WOR dan valt te constateren dat deze niet groot is. Door de jaren heen zijn er nog geen 10 uitspraken verschenen die betrekking hebben op regelingen met betrekking tot arbeidsomstandigheden.

Tot aan de Hoge Raad is geprocedeerd in een geschil dat zich afspeelde bij Holland Casino.3  Het geschil had betrekking op de vraag of een proef om gedurende 6 maanden één toezichthouder per 4 speeltafels in plaats van per 2 speeltafels aan te stellen te beschouwen is als een regeling op het terrein van de arbeidsomstandigheden. De ondernemingsraad was onder meer van mening dat deze regeling betrekking had op de veiligheid in verband met de arbeid. De Hoge Raad gaf aan dat blijkens de wetsgeschiedenis artikel 27 lid 1 sub d WOR ertoe strekt medezeggenschap van werknemers omtrent het arbeidsomstandighedenbeleid van de werkgever zeker te stellen. Gelet op die achtergrond en de formulering van artikel 27 lid 1 onder d en in aanmerking genomen dat de opsomming in artikel 27 lid 1 WOR uitputtend bedoeld is, moet worden aangenomen dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden het gaat om het doel van de regeling, aldus de Hoge Raad. In dit geval werd geconstateerd dat de pilot wel gevolgen kan hebben voor de arbeidsomstandigheden, maar dat niet gezegd kan worden dat het doel van de pilot is een regeling te treffen op het gebied van de arbeidsomstandigheden. Bij de bepaling van het doel is met name gekeken naar het doel dat de werkgever nastreeft met deze regeling. Deze uitspraak maakt een aantal beperkingen van het instemmingsrecht op grond van artikel 27 WOR duidelijk. Er is sprake van een limitatieve opsomming van de onderwerpen die onder het instemmingsrecht vallen en daarbij is niet voldoende dat regelingen gevolgen hebben voor de arbeidsomstandigheden, maar het gaat er om dat het doel van de regeling ook op dat vlak ligt. Eerder heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat bij de interpretatie van de limitatieve opsomming van art. 27 lid 1 WOR de onderwerpen naar hun aard en strekking dienen te worden geïnterpreteerd.4 Het gaat derhalve niet louter om de benaming zoals opgenomen in art. 27 lid 1 WOR, maar om de vraag of een aangelegenheid onder een bepaald onderdeel van het instemmingsrecht valt. Bij verschil van mening of dat het geval is, komt een belangrijke betekenis toe aan het doel van de regeling. Het zal dan moeten gaan om een objectief oordeel over het doel dat aan de regeling ten grondslag ligt en niet louter om het doel dat de ondernemer stelt te beogen of het doel dat de ondernemingsraad voor ogen staat. Een instemmingsaanvraag biedt de ondernemingsraad een overleg positie om te komen tot afspraken met de ondernemer over de toepassing van de Arbo-normen. Een goed voorbeeld daarvan blijkt uit een geschil dat heeft gespeeld bij de Provincie Zuid-Holland. In 2002 was de afspraak gemaakt dat bij huisvesting van het personeel als norm zou worden gehanteerd dat per medewerkers tenminste 8m2 beschikbaar zou zijn. Dit zou uitgewerkt worden in een lange termijn huisvestingsvisie, die uiterlijk medio 2004 diende te zijn gerealiseerd. Omdat aan deze afspraak in 2005 nog niet was voldaan, ging de OR naar de rechter en vorderde nakoming van de afspraak. Gezien de voorgeschiedenis en de gemaakte afspraak was de rechter van mening dat nu niet opnieuw gewacht zou moeten worden tot eind 2006, zoals de ondernemer had gesteld, voordat de afspraak zou worden nagekomen. De rechter vond dat de ondernemer in redelijkheid meer haast moet maken met het uitwerken van het huisvestingsbeleid met inachtneming van gemaakte afspraken.5   Uit dit voorbeeld blijkt dat een ondernemingsraad die volhardt en tracht met afspraken minimumnormen ten aanzien van de arbeids omstandigheden te borgen, daarmee invloed kan uitoefenen op het beleid. Mede vanwege het limitatieve karakter van artikel 27 lid 1 WOR hebben de meeste geschillen op het terrein van het instemmingsrecht echter betrekking op de vraag of een aangelegenheid onder het instemmingsrecht valt. De zaak van Holland Casino was daar een voorbeeld van. Een ander voorbeeld speelde bij Corus waar de vraag aan de orde kwam of het invoeren van een helmplicht instemmingsplichtig is. Bij de beantwoording van deze vraag kwam aan de orde de afbakening tussen het instemmingsrecht op grond van artikel 27 lid 1 sub d WOR en artikel 3 arbeidsomstandighedenwet. De kantonrechter Haarlem overwoog dat instemming alleen dan niet vereist is indien de betreffende regeling van de werkgever berust op een specifieke wettelijk voorschrift of een aanwijzing van de Arbeidsinspectie. In bepaalde noodsituaties zou het voorstelbaar zijn dat de ondernemer een tijdelijke maatregel neemt en daarvoor achteraf instemming vraagt. Maar in het geschil bij Corus deed zich dat niet voor. Uit de in artikel 3 Arbo-wet neergelegde verplichting van de ondernemer vloeit voort, aldus de kantonrechter, dat de ondernemer dient vast te stellen welke maatregelen binnen de onderneming nodig zijn om aan die verplichting te voldoen. Voor zover deze maatregelen een wijziging in de arbeidsomstandigheden van alle medewerkers of groepen medewerkers van de onderneming met zich meebrengen, moet daarover instemming aan de ondernemingsraad worden gevraagd.6  Deze opvatting van de kantonrechter sluit aan bij eerdere rechtspraak over de samenloop van het instemmingsrecht op grond van de WOR en de Arbeidsomstandighedenwet. De rechtbank Rotterdam heeft in een geschil bij de Noordzee veerdiensten aangegeven dat wanneer de Arbeidsinspectie op grond van de Arbeidsomstandighedenwet geen aanwijzing of eis heeft opgelegd het instemmingsrecht van de ondernemingsraad op grond van artikel 27 lid 1 WOR blijft gelden. Uit de wetgeschiedenis leidde de kantonrechter af, dat de beperking van de instemmingsbevoegdheid van de OR en in artikel 27 lid 3 WOR7  slechts bedoeld is om samenloop van procedures te voorkomen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat de OR van de Arbeidsinspectie een aanwijzing of een eis moet uitlokken die in die casus beide partijen niet wilden. Het betrof hier een regeling over het alcoholgebruik op schepen door personeelsleden ook buiten werktijd. Bij een dergelijke aangelegenheid heeft de beroepsmogelijkheid van de Arbo-wet geen zin. De Arbeidsinspectie zal geen aanwijzing opleggen over het alcohol gebruik buiten werktijd. Dan zou de ondernemer zonder inhoudelijke toetsing van het OR-standpunt zijn regeling kunnen doorvoeren.8 Mede vanwege deze rechtspraak is vervolgens in 1998 in de Wet op de Ondernemingsraden deze samenloopproblematiek duidelijker geregeld door in artikel 36 lid 6 WOR aan te geven dat een verzoek bij de kantonrechter op grond van het instemmingsrecht alleen dan niet ontvankelijk verklaard wordt indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid een eis is gesteld als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. Bepalend is derhalve of er feitelijk al door de Arbeidsinspectie een eis is opgelegd en niet de vraag of de Arbeidsinspectie bevoegd is om een eis op te leggen. Een andere afbakeningsvraag kan zich voordoen tussen het advies -en het instemmingsrecht. In een geschil dat gespeeld heeft bij de Sociale Verzekeringsbank is dit aan de orde gekomen. De vraag die daar speelde was of de opheffing van de interne Arbo-dienst gezien moest worden als instemmingsplichtig besluit of (ook) als een adviesplichtig besluit. De Ondernemingskamer kwam tot het oordeel dat het besluit tot opheffing van de interne Arbo- dienst in redelijkheid niet gezien kan worden als een instemmingsplichtig besluit ex artikel 27 lid 1 WOR. Maar in ieder geval is het besluit ook aan te merken als een adviesplichtig besluit op grond van artikel 25 lid 1 onder d en e WOR.9 Op dezelfde dag dat de Ondernemingskamer tot deze beslissing kwam oordeelde de Algemene Bedrijfscommissie tegenovergesteld, namelijk dat het opheffen van de eigen Arbo-dienst moet worden aangemerkt als een besluit tot intrekking van een regeling als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder de WOR. De Bedrijfscommissie verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis van de wijziging van de WOR in 1998 en de wetsgeschiedenis van de Arbo-wet 1998. Deze duiden erop dat besluiten van de ondernemer omtrent de inrichting van de Arbozorg ten behoeve van de onderneming instemming van de OR behoeven.10 In een tweetal zaken is een beloningsaspect in verband met een regeling van de arbeidsomstandigheden of het ziekteverzuimbeleid onder het instemmingsrecht gebracht. Het aanbrengen van een wijziging in een concernregeling over een vergoeding in verband met hulpverleningsactiviteiten door vrijwilligers was mede op grond van artikel 27 lid 1 d WOR instemmingsplichting. Het had betrekking op een vergoeding voor het in eigen tijd behalen en onderhouden van een officieel EHBO-diploma. Daarmee strekt de regeling direct tot bevordering van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van het personeel in verband met de arbeid.11 Een bonusregeling die was ingevoerd om het ziekteverzuim terug te dringen, werd eveneens op grond van artikel 27 lid 1 d WOR instemmingsplichtig beschouwd.12 Wat opvalt is dat het in al deze zaken ging om de vraag of aan de ondernemingsraad een instemmingsrecht toekomt en niet om de inhoud van het besluit. Kijkend naar bovengenoemde uitspraken dan valt te concluderen dat in die gevallen waar de ondernemingsraad zich op het instemmingsrecht beriep de ondernemingsraad in de meest gevallen in het gelijk werd gesteld. Alleen in de zaak van Holland Casino was dit anders. Op indirecte wijze komt het instemmingsrecht van de ondernemingsraad soms ook aan de orde. Zie bijvoorbeeld een kort geding dat gevoerd is door een werkneemster van de PTT Post die een algeheel rookverbod op het werk vorderde. De President heeft deze vordering in kort geding toegewezen met verwijzing naar artikel 3 Arbo-wet en artikel 4.9 Arbo-besluit. Een van de stellingen van de werkgever in deze zaak was dat toewijzing van de vordering haar ertoe zou verplichten in strijd met artikel 27 lid 1 WOR te handelen, omdat het arbeidsomstandighedenbeleid onder het instemmingsrecht van de OR valt. De President verwierp deze stelling. De WOR laat onverlet de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een gebod als dit op te leggen aan een werkgever en dat gebod is niet onderworpen aan de instemming van de OR. De President was van mening dat zowel de werkgever als de bevoegde ondernemingsraad tekort geschoten zijn bij de vaststelling van het rookbeleid in het pand waar de werkneemster werkzaam was. Daarom kon in redelijkheid niet van de werkneemster worden verlangd dat zij nog langer wachtte op passende initiatieven van diezijde.13 Uit de jurisprudentie op grond van artikel 27 lid 1 sub d WOR zouden twee conclusies te trekken zijn:Het claimen van het instemmingsrecht op grond van het arbeidsomstandighedenbeleid komt in de rechtspraak niet veel voor. Dit kan erop duiden dat er mede gezien de bevoegdheden van de ondernemingsraad op grond van de Arbeidsomstandighedenwet weinig discussie is over dit onderwerp of dat de OR meestal wel betrokken wordt bij aangelegenheden die betrekking hebben op Arbeidsomstandigheden. Dan wel dat het claimen van een rol op dit terrein voor ondernemingsraden niet de hoogste prioriteit heeft. Een tweede conclusie is dat in deze rechtspraak geen situatie aan de orde is geweest waarbij er vervangende toestemming door de ondernemer is gevraagd over een aangelegenheid die betrekking heeft op het arbeidsomstandighedenbeleid. Dit kan een gevolg zijn van het feit dat ondernemer en ondernemingsraad het in alle gevallen met elkaar eens zijn dan wel dat in die gevallen waar dat niet zo is, de ondernemer uiteindelijk zich toch richt naar het standpunt van de ondernemingsraad. Het kan ook erop duiden dat aangelegenheden met betrekking tot het arbeidsomstandighedenbeleid niet zo zwaar tellen bij ondernemingsraden dat zij daarover tot het uiterste willen gaan. Het beeld is echter niet dat op het gebied van de arbeidsomstandigheden ondernemingsraden de vaak gebruikmaken van hun juridische mogelijkheden om een meningsverschil met de ondernemer in een procedure ex art. 36 WOR te laten toetsen. Er is bijvoorbeeld een aanmerkelijk verschil met het aantal geschillen met betrekking tot art. 27 lid 1 sub b WOR over de werktijd en/of vakantieregeling. Het aantal geschillen daarover is ongeveer een factor 6 hoger in vergelijking met het aantal geschillen over art. 27 lid sub d over de arbeidsomstandigheden. 14 De bevoegdheid ten aanzien van arbeidstijden is apart geregeld in artikel 27 lid 1 onder b WOR en de voorschriften die daarop betrekking hebben zijn in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit geregeld. Daarom heb ik deze hier buiten beschouwing gelaten, hoewel naar de aard van het onderwerp het vaststellen van de arbeidstijden ook betrekking heeft op de arbeidsomstandigheden. De conclusie kan wel worden getrokken dat ondernemingsraden ten aanzien van arbeidstijden meer gebruik maken van hun juridische bevoegdheden op basis van het instemmingsrecht dan op het terrein van de arbeidsomstandigheden.

 

3. Adviesrecht

 

In art. 25 WOR is aan de ondernemingsraad een adviesrecht toegekend over belangrijke bedrijfseconomische –en organisatorische besluiten. De ondernemer moet in de adviesaanvraag de gevolgen van het voorgenomen besluit voor het personeel schetsen alsmede de maatregelen die hij voornemens is te nemen om die gevolgen op te vangen. De ondernemingsraad kan in zijn advies ingaan op de gevolgen van het besluit, waaronder op de

gevolgen voor de arbeidsomstandigheden. Dat aspecten die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden ook een wezenlijk onderdeel van het adviesrecht kunnen vormen wordt onder meer duidelijk uit het oordeel van de OK inzake een voorgenomen investering in het leasen van bussen. De opvatting van de ondernemer dat de OR zich daarbij alleen mag uitlaten over de financieringsaspecten van de investering werd afgewezen. De OR moet zich in volle omvang over alle aspecten van het voorgenomen besluit kunnen uitlaten.15 Voor de OR was van belang om zich ook uit te kunnen laten over het type bus dat zal worden aangeschaft, mede in verband met de inrichting van de werkplek van de chauffeurs. Indien een OR in een adviesprocedure met adviezen komt die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden en die in het besluit niet worden overgenomen, bestaat de

mogelijkheid voor de OR om beroep aan te tekenen tegen het besluit bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Als gekeken wordt naar de rechtspraak van de Ondernemingskamer dan valt op dat er niet vaak een geschilpunt aan de orde komt dat te maken heeft met de arbeidsomstandigheden. Dit kan te maken hebben met de aard van de aan de orde zijnde besluiten, waarbij gevolgen voor de arbeidsomstandigheden niet of niet direct aan de orde zijn. Bijvoorbeeld bij een besluit tot verkoop of overname van de onderneming of bij het inschakelen van een externe deskundige zullen de arbeidsomstandigheden geen issue zijn. Maar wanneer het bijvoorbeeld gaat om vertaling van bezuinigingsdoelstellingen naar concrete voorgenomen besluiten of reorganisaties, kunnen arbeidsomstandigheden vaker een rol spelen dan op het eerste zicht mogelijkerwijs zou worden aangenomen. Bij een reorganisatie concentreert het overleg zich meestal op de wijze waarop de personele gevolgen van de reorganisatie zullen worden opgevangen, waarbij het dan gaat om het verval van het aantal functies, de herplaatsings/ontslagcriteria en de materiële maatregelen die worden genomen om de (inkomens)gevolgen op te vangen. De gevolgen voor de arbeidsomstandigheden als zodanig zijn niet vaak onderwerp van geschil bij de Ondernemingskamer. In enkele gevallen hebben arbeidsomstandigheden wel een belangrijke rol in de procedure gespeeld. Ik zal een paar voorbeelden bespreken. Bij een reorganisatie bij een onderneming in de petrochemische industrie was het voornemen aan de orde om de fabriek zo om te bouwen, dat deze bedienbaar is door één persoon per shift. De OR adviseerde om de normale bezetting van twee personen per shift te handhaven om aan de minimale eisen van de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen met het oog op de veiligheid en werkbelasting. De OK gaf aan dat over het aspect van de arbeidsomstandigheden de Arbeidsinspectie de bevoegde instantie is. Mede omdat de ondernemer had aangegeven niet over te gaan tot aanpassing van de roosters behoudens goedkeuring van de Arbeidsinspectie en de OR daar onvoldoende bezwaren tegenover had gesteld, was de OK van mening dat het besluit niet kennelijk onredelijk was. 16 Deze wijze van toetsing heeft overeenkomsten met een recent oordeel van de kantonrechter Nijmegen. Die oordeelde bij het verzoek om vervangende toestemming ex art. 27 lid 4 WOR dat toestemming verleend werd aan de aanpassing van de roosters ervan uitgaande dat de ondernemer, zoals toegezegd de roosters zo zal aanpassen dat er geen strijdigheid is met het Europees en Nederlands recht op het terrein van de arbeidstijden.17 Omdat de OK marginaal toetst ex art. 26 lid 4 WOR is eerder voorstelbaar dat het voorbehoud dat de arbeidsinspectie goedkeuring verleent voldoende is om niet in de beoordeling van de arbeidsomstandighedenaspecten te treden. Een vergelijkbare toetsing door de kantonrechter ex art. 27 lid 4 WOR stuit bij mij op meer bezwaren. De vraag of roosters op te stellen zijn die niet strijdig zijn met de regelgeving, wordt niet inhoudelijk getoetst, maar volstaan wordt met verwijzing naar de toezegging van de ondernemer dat de roosters niet in strijd met de regelgeving zullen zijn. Vervangende toestemming wordt al verleend, terwijl de concrete wijziging van de werktijdregeling nog niet voorhanden is.18 In een andere zaak stelde de OR zich op het standpunt, dat bij een reorganisatie de ondernemer niet kon volstaan met het aangeven van de omvang van de toekomstige formatie in aantal fte, maar dat ook de werkprocessen van de nieuwe organisatie beschreven zouden moeten worden om beter zicht te krijgen op het benodigde aantal fte en daardoor op de potentiële gevolgen voor de werkdruk. De ondernemer gaf aan dat de omvang van het aantal fte gebaseerd was op ervaringscijfers en getoetst was door een externe deskundige. De concrete invulling van de organisatie per cluster wilde de ondernemer pas in de volgende fase, na advisering door de OR, doorvoeren. De OK wees de bezwaren van de OR van de hand, waarbij ook verwezen werd naar een advies van TNO Arbeid aan de OR, waarin de formaties van de clusters werden gekwalificeerd, als degelijk, in grote mate voldoende en helder.19 Meer succes had een groepsondernemingsraad die bezwaar maakte tegen het verhogen van de norm van het aantal medewerkers per groep gedetineerden, vanwege het feit dat die norm nog maar kort daarvoor met het oog op het terugdringen van het ziekteverzuim en de werkdruk was verlaagd door de ondernemer. De OK vond de motivering van de ondernemer dat uit onderzoek gebleken is dat het weer verantwoord is om de personele inzet terug te brengen naar het oude niveau onvoldoende.20   Onder de noemer van een motiveringsgebrek kwam de OK met een wel haast inhoudelijke toetsing van het besluit van de ondernemer tot deze conclusie. In een geschil dat speelde bij de HTM was de vraag aan de OK voorgelegd of het besluit van de ondernemer om de rok en bermuda uit het kledingsassortiment te halen en te vervangen door een broekrok kennelijk onredelijk was.21 Dit besluit had tot gevolg dat mannen niet in korte broek zouden kunnen werken op warme dagen. De OR had zich onder meer beroepen op het belang van de goede arbeidsomstandigheden, in het bijzonder op het belang voor het welzijn bij de arbeid dat ook mannelijke werknemers op warme dagen in een korte broek hun werkzaamheden zouden mogen verrichten. De OK volgde de redenering van de OR niet. De OK geeft aan dat het besluit niet in strijd is met een Arbo-voorschrift en dat derhalve aan de ondernemer een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Uit deze zaak blijkt dat bezwaren in verband met de gevolgen voor de arbeidsomstandigheden bij de toetsing door de OK een rol kunnen spelen, indien er sprake is van strijdigheid met Arbo-voorschriften, maar van ondergeschikt belang zijn indien daar geen sprake van is. Uit de bestudering van de rechtspraak van de Ondernemingskamer valt op dat de arbeidsomstandigheden als zodanig niet vaak een onderwerp van het geschil vormen. Als dat wel het geval is, zal de OR zijn bezwaren tegen het (voorgenomen) besluit met betrekking tot de arbeidsomstandigheden concreet moeten hebben aangegeven om succes bij de OK te kunnen behalen. Daarbij blijkt met name van belang te zijn of er sprake is van strijdigheid met een ‘harde’ norm op het gebied van de Arbo-wet. Verschil in inschatting over mogelijke toekomstige gevolgen voor de arbeidsomstandigheden van het besluit zullen niet snel voldoende zijn voor een OR om door de OK in het gelijk gesteld worden. Zeker niet als de OR voor het overige geen bezwaren heeft tegen het besluit of de beweegredenen die daaraan ten grondslag liggen.

 

4. Arbeidsinspectie

 

De ondernemingsraad kan bij de Arbeidsinspectie een klacht indienen of verzoeken om een onderzoek in te stellen, dat kan uitmonden in het opleggen van een aanwijzing of een eis door de Arbeidsinspectie aan de ondernemer. Ook kunnen OR-leden meelopen met de inspecteur indien deze de onderneming komt bezoeken of deze apart spreken. Door de Arbeidsinspectie wordt niet apart geregistreerd het aantal maal dat zij door een OR

wordt benaderd. 22 In 2001 werden ruim 2000 klachten over arbeidsomstandigheden ingediend bij de Arbeidsinspectie. Popma geeft aan dat van slechts 14 van die klachten bekend is dat zij door een  medezeggenschapsorgaan zijn ingediend.23 In het jaarverslag van de Arbeidsinspectie 2004 wordt aangegeven dat het aantal klachten door de jaren heen vrij constant is. 24 Er zijn te weinig gegevens om te concluderen dat het aantal klachten door OR-en aanhangig gemaakt ook constant is gebleven. Wel kan geconcludeerd worden dat het aantal klachten in de afgelopen jaren niet dusdanig is gestegen dat daarin een aanwijzing zou kunnen zitten dat OR’en meer van deze mogelijkheid gebruik zijn gaan maken. Uit een enquête die Popma heeft gehouden onder arbeidsinspecteurs blijkt dat slechts 3% van de ondervraagde inspecteurs ‘vaak’ wordt benaderd door een OR; 50% van de inspecteurs geeft aan soms en 47% geeft aan zelden of nooit door een OR te worden benaderd. Voorts geeft 3% van de inspecteurs aan vaker meegemaakt te hebben dat een OR gebruik maakt van het recht om de inspecteur onder vier ogen te spreken; daarentegen geeft 63% aan dat dit zelden of nooit voor is gekomen.25 Uitkomsten die duiden op een beperkt gebruik van de OR van zijn bevoegdheden versus de Arbeidsinspectie. Uitkomsten die ook stroken met resultaten van eerder onderzoek.26 Hoewel bovenstaande gegevens slechts gebaseerd zijn op een beperkt aantal bronnen, lijkt hieruit toch de conclusie te trekken dat de mate waarin ondernemingsraden gebruik maken van de mogelijkheid om de Arbeidsinspectie in te schakelen, niet als verklaring kan dienen voor het slechts beperkt procederen op basis van het instemmingsrecht ex art. 27 WOR. Het versterkt het beeld dat ondernemingsraden niet veel gebruik maken van hun bevoegdheden om geschillen over de toepassing van het arbeidsomstandighedenbeleid binnen de onderneming extern te laten toetsen, noch bij de rechter noch bij de Arbeidsinspectie.

 

5. Conclusie

 

De vraag die aan het begin is gesteld, is of de OR als bewaker van de arbeidsomstandigheden actief gebruik maakt van de mogelijkheden die de wet hem toekent om naleving te vorderen van de juridische normen die betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden. Uit het overzicht van de rechtspraak op het terrein van het instemmingsrecht blijkt dat slechts in een beperkt aantal gevallen er geprocedeerd is over het arbeidsomstandighedenbeleid, zeker in vergelijking met de rechtspraak op het terrein van de arbeidstijden, waar het aantal procedures een factor 6 hoger ligt.In de rechtspraak op het terrein van het adviesrecht spelen arbeidsomstandigheden evenmin een prominente rol. Noch ten aanzien van het aantal zaken waarin (de gevolgen van) een besluit wat betreft de arbeidsomstandigheden centraal staat, noch ten aanzien van het gewicht dat in het kader van de kennelijk onredelijkheidstoets door de OK aan bezwaren op het terrein van de arbeidsomstandigheden wordt toegekend. Ook de gang naar de Arbeidsinspectie lijkt evenmin veel door ondernemingsraden betreden te worden. Wat dat betreft heeft Geers in zijn proefschrift een probleem gesignaleerd, dat niet door de medezeggenschapspraktijk in de loop der tijd is opgelost. De sterke positie die de wetgeving aan de OR toekent ten aanzien van het afdwingen van de juridische normen op het terrein van de Arbo-wet, lijkt in de praktijk maar in beperkte mate inhoud te krijgen. Het belang van eigen adequate juridische actiemogelijkheden voor de individuele werknemer blijkt dus nog steeds groot te zijn. Enige nuancering is bij deze conclusie over de rol van de OR wel op zijn plaats. De mate waarin een OR van zijn juridische mogelijkheden gebruik maakt om naleving te vorderen is slechts een van de indicatoren over de aandacht die besteed wordt aan het arbeidsomstandighedenbeleid. Procedures zijn meestal aan de orde in het eindstadium, nadat in overleg geen overeenstemming is bereikt tussen ondernemer en OR. In veel gevallen zal echter reeds in het voorafgaande overleg de nodige aandacht besteed zijn aan het vormgeven van het arbeidsomstandighedenbeleid binnen de onderneming. Uit het onderzoek van Van ’t Kaar/Looise –de Volwassen OR 27 als ook het onderzoek van Popma28 , blijkt dat het onderwerp Arbo hoog op de agenda staat. Relatief veel van de instemmingsaanvragen (19%) hebben betrekking hebben op arbeidsomstandigheden, een tweede plek achter werktijden –en vakantieregelingen (29 %). In 75% van de gevallen stemt de OR in met het oorspronkelijk voorstel. Popma geeft aan dat dit niet wil zeggen dat de OR geen inbreng heeft gehad op de voorstellen in die gevallen. Bestuurders (65%) als ook de ondernemingsraden zelf (50%) signaleren door de inbreng van de OR een zorgvuldigere besluitvorming en inhoudelijk betere besluiten.29 Maar daar tegenover staat dat ondernemingsraden in de praktijk behoorlijk in de knel zitten met hun tijd en de vereiste deskundigheid soms ontberen, hetgeen van invloed is op de opbrengst van het medezeggenschapsoverleg.30 Dit is een probleem dat voor het functioneren van de ondernemingsraad op meer gebieden geldt, maar misschien wel op het Arbo-terrein in het bijzonder. De gelaagde structuur van de Arbowetgeving is weinig inzichtelijk en abstract gericht op resultaat, zodat het voor een OR vaak ook moeilijk is om een sturende rol te spelen bij het verbeteren van de maatregelen. Het vergt veel kennis van de materie. Mogelijkerwijs dat met de komst van de preventiemedewerker 31 meer deskundigheid binnen de onderneming ontstaat, waar ook ondernemingsraden op kunnen terugvallen. Vraag de gemiddelde werknemer wat hij belangrijk vindt in zijn leven dan zal gezond oud worden zeer hoog scoren. De arbeidsomstandigheden bij het werk vormen een van de belangrijke factoren die daarop van invloed zijn. Dit geeft aan dat dit onderwerp daarom ook met recht hoog dient te staan op de agenda van het medezeggenschapsoverleg. Uit het rechtspraakoverzicht blijkt dat ondernemingsraden op dit gebied niet actief gebruik maken van alle juridische mogelijkheden die de wet hen biedt. Dit beeld stemt niet optimistisch als gekeken wordt naar de voornemens om de Arbeidsomstandighedenwet te wijzigen, waarbij het voornemen bestaat om de inhoud van de krachtens de wet vastgestelde normen te beperken ten faveure van maatwerk in convenanten en bedrijfseigen regelingen. Het kan zinvol zijn om de Arbeidsomstandighedenwet meer te stroomlijnen. Maar de functie van wettelijke normen zeker op het terrein van de arbeidsomstandigheden dient niet onderschat te worden en de positie en mogelijkheden van een OR om goede maatwerkafspraken te realiseren dient niet overschat te worden. In zijn laatste interview met OR-Informatie geeft Geers aan dat de Arbeidsomstandighedenwetgeving emancipatorische wetgeving is. “Er moet voor gevochten worden, dat stopt niet als een wet tot stand is gekomen. Of het nu gaat om de WOR, de Arbeidstijdenwet, de Wet Arbeid en zorg. Alle wetten die rechten veroveren op de prerogatieven van de werkgever moeten bevochten worden, voortdurend en altijd. Als je een nieuwe fiets krijgt is die nog niet van jou. Hij is pas van jou als je er gebruik van maakt. Wanneer je eens tegen een muurtje bent gereden, wanneer je een band hebt gelapt, wanneer je er met teveel vriendjes en vriendinnetjes op gezeten hebt en erdoor gezakt bent. Dan is ie van jou. Zo is het ook met het recht. Het recht moet van jou worden, doordat je het gebruikt’ 32 Om, als conclusie van deze bijdrage, bij deze beeldspraak van Geers aan te sluiten, kan gesteld worden dat de Arbeidsomstandighedenwet gezien zijn aard als een tandem ziet met een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemers om er de vaart in te houden. Geconstateerd kan worden dat ondernemingsraden op deze tandem veelal nog volstaan met een plek achterop en vaak wel meetrappen, maar het bepalen van de richting overlaten van de ondernemer.

 

 

1 A.J.C.M. Geers, Humanisering van de arbeid , Kluwer: Deventer 1988, p. 366/367.

2 J.Popma, Het Arbo-effect van medezeggenschap Kluwer: Alphen a/d Rijn, 2003. Hij concludeert dat het Arbo-effect van medezeggenschap wel degelijk aanwezig is, maar dat de invloed van de OR toch tamelijk marginaal is. (p. 279).

3 HR 20 december 2002, JAR 2003/18.

4 HR 26 juni 1987, NJ 1988/93 (Amro)

5Vzgnr Rb. Den Haag, 29 november 2005, rolnr. KG 05/608,(nng),

6Ktr. Haarlem 20 juli 2001, JAR2002/120 (OR Corus Packaging Plus)

7Het gaat hierom de bepaling van art. 27 lid 3 WOR, zoals die luidde voor de wetswijziging van 1998.

8Rb. Rotterdam 27 april 1993, JAR1993/114 (OR Noordzee Veerdiensten B.V.).

9OK 3 juni 1999, JAR 1999/147 (COR Sociale Verzekeringsbank). In deze zaak werd bij de OK geprocedeerd, omdat de ondernemer van mening was dat er wel sprake was van een adviesplichtig besluit en daarom advies had gevraagd. De OR bracht in dat het besluit instemmingsplichtig was.

10Dit advies van de Bedrijfscommissie is niet gepubliceerd en in deze zaak verviel de noodzaak om op grond van het instemmingsrecht verder te procederen, omdat de Ondernemingskamer het besluit op grond van het adviesrecht kennelijk onredelijk had verklaard.

11Ktr. Den Haag 30 augustus 1999, JAR1999/198 (COR TNT Postgroep N.V.).

12Ktr. Apeldoorn 30 oktober 1998, JAR1999/17 (OR Motrak Intern Transport B.V.)

13Pres. Rb. Breda 25 april 2000, JAR 2000/115 (X / PTT Post B.V.)

14Gebaseerd op gegevens over gepubliceerde en niet gepubliceerde rechtspraak over art. 27 lid subb en 27 lid sub d WOR, zoals opgenomen in de databank van het Advokatenkollektief Utrecht.

15 OK 18 mei 2005, JAR 2004/235 (OR Novio).

16OK 3 mei 1990 ROR1990/9 (OR Airproducts Nederland)

17Ktr. Nijmegen 9 juni 2005, JAR2005/164 (Regionaal Ambulancevervoer Gelderland-Zuid)

18 Zie ook mijn kritiek in SMA 2005-10, p 509.

19 OK 22 april 2005, JAR 2005/131 (OR Provincie Noord Holland).

20 OK 27 januari 2005, JAR 2005/ 79 (GOR JJI).

21 OK 22 juli 2005, JAR 2005, 232 (OR HTM).

22Uit het jaarverslag 2004 blijkt dat in dat jaar 2440 klachten zijn ingediend en dat de behandeling daarvan 7% van de capaciteit van de Arbeidsinspectie vergt. (p12). De 1e fase van onderzoek van een klacht neemt in 64% van de gevallen minder 6 weken in beslag en de doorlooptijd van een handhavingstraject van klachten is in 83% van de gevallen minder dan 1 jaar (p.14). Gegevens over het aantal klachten aanhangig gemaakt door een OR zijn in het verslag niet aan te treffen.

23Popma 2003, p. 190.

24In 2002: 2167; 2003: 2052; 2004: 2440, welk laatste aantal hoger was dan andere jaren vanwege een administratieve afhandeling van oude klachten, Jaarverslag Arbeidsinspectie 2004, p. 12/13.

25Popma 2003, p. 190/191.

26Zie A.J.C.M. Wilthagen , Het overheidstoezicht op de arbeidsomstandigheden, Wolters-Noordhoff:Groningen 1993, p. 134-135.

27 R.H. van het Kaar, J.C.Looise e.a. ‘De volwassen OR: groei en grenzen van de Nederlandse ondernemingsraaad, Alphen a.d. Rijn: Samsom 1999.

28Popma 2003, voor een deel gebaseerd op hetzelfde databestand als het onderzoek De volwassenOR.

29Popma 2003, p. 185.

30Popma 2003, p. 194.

31 Verplichting opgenomen in de Arbowet per 1 juli 2005, zie hierover R.N. de Wit, Gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet: meer keuze of meer lasten?, Arbeidsrecht 2005/48.

32OR Informatie 2005-12, p. 23, interview van Bernard van Lammeren met Ad Geers over de wijziging van de Arbowet.

 

 2014 busbaan02
 

Wijziging Arbowet zet OR op achterstand

06-07-2009

Met ingang van 1 januari 2007 wijzigt de Arbowet drastisch. Het aantal regels wordt minder. De huidige bepalingen bieden de OR meer houvast dan de uitgeklede Arbowet.

Auteur: Jan Popma

De staatssecretaris van Sociale Zaken meent dat in de meeste gevallen de bepalingen in de WOR ook voldoende handvatten bieden om de arbo medezeggenschap in bedrijven en instellingen goed vorm te geven. De staatssecretaris heeft nog gelijk ook. De meeste van de geschrapte bepalingen zijn via slinkse omwegen inderdaad onder het regime van de WOR te brengen: overlegrecht, informatierecht, voortgangsoverleg. De huidige wet bevat echter wel allerlei bepalingen die tenminste duidelijk maken waarover dan overlegd en geïnformeerd zou moeten worden. Kern van het arbo-overleg is dat de werkgever verplicht is te overleggen met de werknemers. Die verplichting blijft overeind, maar waarover overlegd moet worden blijft onduidelijk. Het nieuwe artikel 12 van de Arbowet bevat alleen nog de algemene bepaling dat 'werkgever en werknemer overleggen over aangelegenheden die het arbeidsomstandighedenbeleid betreffen alsmede over de uitvoering van dit beleid, waarbij actief informatie wordt gewisseld'.

In de huidige wet staat tenminste nog expliciet opgesomd waarover werkgever en ondernemingsraad moeten overleggen. Dat kan een beetje OR in de toekomst ook wel zelf verzinnen. Belangrijker is dat een streep is gezet door de verplichting om jaarlijks overleg te voeren over de voortgang van het plan van aanpak. Daarmee wordt de OR een instrument uit handen geslagen om minstens een keer per jaar over die voortgang te spreken. De OR kan dit echter tamelijk eenvoudig oplossen door het onderwerp zelf op de agenda te plaatsen van het reguliere overleg. Artikel 12 bepaalt verder dat 'actief informatie wordt gewisseld'. Dit is een zinloze dubbeling ten opzichte van de WOR. WOR artikel 31 volstaat immers, tenzij de Arbowet specifiek zou aangeven welke informatie dan 'actief wordt gewisseld'. In algemene termen kan worden gesteld dat het in de eerste plaats moet gaan om informatie die de ondernemingsraad denkt nodig te hebben. Maar welke informatie een OR nodig heeft, dat zal zeker de beginnende medezeggenschapper niet spontaan bedenken.

Overigens heeft de nieuwe Arbowet door twee onderdelen uit de informatiebronnen een (gedeeltelijke) streep gezet. Ten eerste door het verplichte arbospreekuur. Het schrappen van het spreekuur is een instemmingsplichtige kwestie, dus dat kan de OR in principe tegenhouden. Ten tweede is nog een andere bron van belangrijke informatie grondig uitgehold, te weten de ongevalsrapportage.

Het is wenselijk dat het afbrokkelende fundament onder het arbo-overleg snel wordt gerepareerd.

Onderzocht zou moeten worden waarom de regels van het spel afbrokkelend veranderen. Het lijkt er op dat duistere machten een negatieve invloed hebben op onze democratische rechtstaat.

Jan Popma is verbonden aan de UvA als senior onderzoeker op het terrein van (nieuwe) risico´s, regulering en sociale dialoog.


 

 

 

• Business cases
– Kostenbeperking
– Productiviteitsverhoging
“Berekeningen laten zien dat de ruimte voor verbetering voor...

 

 

 

Stelling 1
Wie denkt dat arbo geld kost, kan niet rekenen

De grote blinde vlek - Jan Popma

  1. 1. Beroepsziekten in Nederland: de grote blinde vlek Jan Popma
  2. 2. Zoek de verschillen
  3. 3. Zoek de verschillen Jaarlijks 180 amputaties Monitor arbeidsongevallen (TNO)
  4. 4. Zoek de verschillen Jaarlijks 180 amputaties RSI: 7.2% => 500.000 patiënten Monitor arbeidsongevallen (TNO) Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2014
  5. 5. Zoek de verschillen Kosten ongevallen: 910 miljoen Kosten RSI: 2.100 miljoen Nationaal Kompas Volksgezondheid Blatter, 2005
  6. 6. Zoek de verschillen
  7. 7. Zoek de verschillen Vallen van hoogte => melden Inspectie SZW
  8. 8. Zoek de verschillen Vallen van hoogte => melden Inspectie SZW Kanker door straling? Niet melden Inspectie SZW
  9. 9. Zoek de verschillen Vallen van hoogte => melden Inspectie SZW Kanker door straling? Niet melden Inspectie SZW Bedrijfsarts meldt niet
  10. 10. Zoek de verschillen
  11. 11. Zoek de verschillen Uitwendig letsel Inwendig letsel
  12. 12. Zoek de verschillen Matthew Courtney † 2007 Uitwendig letsel Inwendig letsel
  13. 13. Zoek de verschillen Matthew Courtney † 2007 Uitwendig letsel Inwendig letsel 13% burnout-signalen (Arbobalans 2014) 200 werkgerelateerde zelfmoorden?
  14. 14. Zoek de verschillen
  15. 15. Zoek de verschillen Media-aandacht
  16. 16. Zoek de verschillen Media-aandacht Verborgen lijden
  17. 17. Zoek de verschillen Media-aandacht Verborgen lijden 0 doden > 2.500 werkgerelateerde kankergevallen
  18. 18. Zoek de verschillen Media-aandacht Verborgen lijden 0 doden > 2.500 werkgerelateerde kankergevallen Onderzoeksraad Veiligheid Inzet Inspectie SZW?
  19. 19. Risico van het vak?
  20. 20. Risico van het vak? • 22% chronische aandoeningen veroorzaakt door het werk (Arbobalans 2014)
  21. 21. Risico van het vak? • 22% chronische aandoeningen veroorzaakt door het werk (Arbobalans 2014) • > 17.000 beroepsziekten/jaar (PIM) • > 400.000 werknemers zelfmelding (Arbobalans 2014) • 160.000 werknemers met beroepsziekte, 85.000 gepensioneerden (RIVM)
  22. 22. Risico van het vak? • 22% chronische aandoeningen veroorzaakt door het werk (Arbobalans 2014) • > 17.000 beroepsziekten/jaar (PIM) • > 400.000 werknemers zelfmelding (Arbobalans 2014) • 160.000 werknemers met beroepsziekte, 85.000 gepensioneerden (RIVM) • 35% van instroom WIA/WAO => 15.000/jaar
  23. 23. Risico van het vak? • 22% chronische aandoeningen veroorzaakt door het werk (Arbobalans 2014) • > 17.000 beroepsziekten/jaar (PIM) • > 400.000 werknemers zelfmelding (Arbobalans 2014) • 160.000 werknemers met beroepsziekte, 85.000 gepensioneerden (RIVM) • 35% van instroom WIA/WAO => 15.000/jaar • >3.700 gevallen van voortijdige sterfte/jaar (RIVM)
  24. 24. Risico van het vak?
  25. 25. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht
  26. 26. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht • Juridisch: zorgplicht art. 7:658 BW/3 Arbowet
  27. 27. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht • Juridisch: zorgplicht art. 7:658 BW/3 Arbowet • Letselschadeclaims: 500-700 claims, € 10-20 miljoen
  28. 28. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht • Juridisch: zorgplicht art. 7:658 BW/3 Arbowet • Letselschadeclaims: 500-700 claims, € 10-20 miljoen • Wim Eshuis
  29. 29. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht • Juridisch: zorgplicht art. 7:658 BW/3 Arbowet • Maatschappelijke kosten arbo: ± € 14 miljard
  30. 30. Risico van het vak? • Ethiek: gezondheid = fundamenteel recht • Juridisch: zorgplicht art. 7:658 BW/3 Arbowet • Maatschappelijke kosten arbo: ± € 14 miljard – 43% verzuimkosten werkgerelateerd: 5 miljard (TNO) – WIA/WAO: € 13,7 miljard, ± 35% werkgerelateerd (Koningsveld, 2003) => ± 5 miljard – 5% zorgkosten door arbo/milieu: 4.25 miljard (RIVM)
  31. 31. Risico van het vak? • Bedrijfseconomisch: kosten arbo > € 10 miljard
  32. 32. Risico van het vak? • Bedrijfseconomisch: kosten arbo > € 10 miljard – Loondoorbetaling bij ziekte • 43% verzuimdagen werkgerelateerd => ± € 5 miljard
  33. 33. Risico van het vak? • Bedrijfseconomisch: kosten arbo > € 10 miljard – Loondoorbetaling bij ziekte • 43% verzuimdagen werkgerelateerd => ± € 5 miljard – Premies WAO/WIA • € 13,7 miljard, ± 35% werkgerelateerd => ± 5 miljard
  34. 34. Risico van het vak? • Bedrijfseconomisch: kosten arbo > € 10 miljard – Loondoorbetaling bij ziekte • 43% verzuimdagen werkgerelateerd => ± € 5 miljard – Premies WAO/WIA • € 13,7 miljard, ± 35% werkgerelateerd => ± 5 miljard – Verstoring productieproces • Schades • Productieverlies • Wervings-/vervangingskosten • Kwaliteitsverlies, reputatieschade
  35. 35. Arbo = werkgeversbelang
  36. 36. • Business cases Arbo = werkgeversbelang
  37. 37. • Business cases – Kostenbeperking Arbo = werkgeversbelang
  38. 38. • Business cases – Kostenbeperking – Productiviteitsverhoging Arbo = werkgeversbelang
  39. 39. • Business cases – Kostenbeperking – Productiviteitsverhoging “Berekeningen laten zien dat de ruimte voor verbetering voor de Nederlandse economie als geheel, groot is. 1%-punt daling van ziekteverzuim, scheelt werkgevers jaarlijks ongeveer € 2,6 miljard in de kosten. En 1% stijging van de arbeidsproductiviteit, levert een stijging van de economische groei ter waarde van € 6 miljard op. De voorbeelden in het manifest laten verzuimdaling en productiviteitsstijging bij individuele bedrijven met soms wel enkele procenten zien.” (Manifest 100 werkgevers over duurzame inzetbaarheid, 2012) Arbo = werkgeversbelang
  40. 40. • Wie denkt dat arbo geld kost, kan niet rekenen! Arbo = werkgeversbelang
  41. 41. • Wie denkt dat arbo geld kost, kan niet rekenen! • Irma Doze: Big Data en Waarde Arbo = werkgeversbelang
  42. 42. • Jeroen Croes: Samenwerken bij beroepsziekten • Irma Doze: Big Data en Waarde • Ad de Rooij, Rob Luyk: Weer aan het werk • Marjolein Sax: Primaire Preventie Programma
  43. 43. • Wim Eshuis: Aansprakelijkheid • Jurriaan Bleekemolen: PSA Analyseren en voorkomen • Wim van Alphen: Waarom moeilijk doen? Programma workshops
  44. 44. • Wim Eshuis: Aansprakelijkheid • Jurriaan Bleekemolen: PSA Analyseren en voorkomen • Wim van Alphen: Waarom moeilijk doen? • Elbert de Jong: Onzekere risico’s, zorgplicht en voorzorg • Bert v/d Wijdeven: Leren van fouten • Peter van Balen: Pak de Regie • Roelof Heida: Preventie en Privacy Programma workshops
  45. 45. • Wim Eshuis: Aansprakelijkheid • Jurriaan Bleekemolen: PSA Analyseren en voorkomen • Wim van Alphen: Waarom moeilijk doen? • Elbert de Jong: Onzekere risico’s, zorgplicht en voorzorg • Bert v/d Wijdeven: Leren van fouten • Peter van Balen: Pak de Regie • Roelof Heida: Preventie en Privacy • Debat: winst door verandering Programma workshops
  46. 46. Stelling 1 Wie denkt dat arbo geld kost, kan niet rekenen
  47. 47. Stelling 2 Een bedrijfsarts die nooit een beroepsziekte meldt, kan een perfecte adviseur zijn voor preventie binnen het bedrijf
  48. 48. Stelling 3 Alleen een sectoraanpak leidt tot preventie van beroepsziekten in bedrijven
  49. 49. Stelling 4 We zouden voor situaties met uitgestelde gezondheids- effecten moeten handelen alsof dat effect morgen al optreedt
  50. 50. Stelling 5 Arboprofessionals praten per definitie langs elkaar heen

nkrimping Arbeidsinspectie in strijd met ILO Verdrag 81

Dr. Jan Popma

 

 

 

  • Expertise

    Het begrip ‘expertise’ is een rekbaar begrip, dat historisch ook nogal fluctueert. Waar zeker in de periode voor de Arbowet (vóór 1983) de veiligheidswetgeving sterk technisch/veiligheidskundig was ingevuld, was het profiel van de inspecteur van de Arbeidsinspectie navenant technisch ingekleurd. Er werd wel oneerbiedig van “bouten-en-moeren-inspecties” gesproken. Met de verschuiving in de productiestructuur (van industrie naar diensteneconomie) en een meer beleidsmatige invulling van de verantwoordelijkheden van werkgevers in de Arbowet, kwam het accent allengs meer op generalistisch ingestelde inspecteurs te liggen. Gedurende de afgelopen 20 jaar verschoof het accent soms naar de specialistische, dan weer naar de generalistische pool. De laatste tijd slaat de slinger weer uit richting algemene competenties, met beperkte inhoudelijke expertise.1

    Naast de ‘algemene’ inspecteurs heeft de Arbeidsinspectie ook een expertisecentrum. In het centrum is expertise gebundeld op onder meer het terrein van veiligheidskunde, gevaarlijke stoffen, en bedrijfsgezondheidszorg. Het expertisecentrum heeft een formatie van ruwweg 45 fte (incl. 12 fte voor management en juridische expertise). De verzamelde expertise binnen de Arbeidsinspectie lijkt dan ook te voldoen aan de eisen in artikel 9 ILO Verdrag: “adequaat gekwalificeerde technische experts en specialisten”, waaronder specialisten op het gebied van bedrijfsgeneeskunde, technici en chemici. Ook het Senior Labour Inspectorate Committee (SLIC), een raadgevend comité van de Europese Commissie2, was in haar doorlichting van de Nederlandse Arbeidsinspectie anno 2008 positief over de kwaliteiten van de inspecteurs (“goed getraind en professioneel”).3

    Toch valt op dit positieve beeld wel het een en ander af te dingen. Zo is bijvoorbeeld de deskundigheid op medisch gebied inmiddels wel heel mager. Terwijl de Arbeidsinspectie in vroeger dagen (tot 1987) een aparte medische dienst kende4, telt de dienst momenteel nog slechts één bedrijfsgeneeskundige in de gelederen. En waar met name tussen 1960 en 1987 de geneeskundig inspecteurs een belangrijke rol hadden bij medisch-hygiënische bedrijfsinspecties naar aanleiding van beroepsziektenmeldingen, is die interveniërende taak van de inspectie buiten beeld geraakt. Dit komt doordat de inspectie zélf geen beroepsziektemeldingen meer aanneemt, maar de meldingen ex. art. 9 lid 3 Arbowet dienen te worden gedaan bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), terwijl het NCvB de (geanonimiseerde) meldingen niet kan herleiden tot individuele bedrijven en daarmee ook niet kan worden geïntervenieerd (of geleerd op bedrijfsniveau). Deze werkwijze was ook volgens het Senior Labour Inspectorate Committee reden voor zorg.5 Bovendien lijkt het ontbreken van een meldpunt voor beroepsziekten bij de Arbeidsinspectie in strijd met artikel 14 van het ILO Verdrag: “The labour inspectorate shall be notified of industrial accidents and cases of occupational disease (cursivering JP)”. Deze notificatie is niet bedoeld voor statistische doeleinden of analyse op macro-niveau, zoals de melding aan het NCvB, maar voor eventuele interventies op bedrijfsniveau. Deze worden nu echter volledig overgelaten aan de arbodienst (of bedrijfsarts). Waar beroepsziekten veruit de belangrijkste oorzaak van werkgerelateerde sterfte én verloren gezondheid zijn6, zou de deskundigheid op dit terrein bij de Arbeidsinspectie zeker uitgebreid moeten worden.7

    Ook wordt door de ondernemingsraad van de Arbeidsinspectie opgemerkt dat de formatie tekort schiet om de risico’s van nieuwe technologieën zoals nanotechnologie adequaat in kaart te kunnen brengen.8 Meer in het algemeen merkt de OR op dat het aantal experts bij de Nederlandse Arbeidsinspectie schril afsteekt tegen de expertise van zusterorganisaties in andere Europese landen.9

    In zijn initiatiefvoorstel gericht aan de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie merkt de ondernemingsraad voorts op dat de deskundigen “door capaciteitsgebrek geen structurele contacten [kunnen] onderhouden met andere deskundigen in het werkveld” (te denken valt hierbij aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten of arbodiensten). Dit komt de kwaliteit van het eigen werk niet ten goede én, zoals de ondernemingsraad opmerkt, evenmin de arbeidsomstandigheden in bedrijven nu “private deskundigen” (arbodiensten) onvoldoende nadruk leggen op de arbeidshygiënische strategie. De overheidsfilosofie van ‘zelfregulering’ op bedrijfsniveau (onder gelijktijdige inkrimping van het overheidsapparaat) leidt zo tot een weglekken van deskundigheid en suboptimale uitkomsten op het gebied van veiligheid en gezondheid.

    Een ander punt van zorg met betrekking tot de expertise is de tendens dat inspecteurs, méér nog dan voorheen, vergaand zelfstandig opereren. Deels komt dit door de aard van de werkzaamheden (inspecties ‘in het veld’), maar deels ook is dit een ongewenst neveneffect van de vergaande centralisatie van het apparaat – in casu het opheffen van de regiokantoren, waardoor inspecteurs onderling nog maar weinig contact hebben.10 “De ziel van kennisdelen is daarmee uit de organisatie verdwenen”, aldus de OR in zijn initiatiefvoorstel. Ook het SLIC constateert deze ontwikkeling.11

    Het SLIC meldt bovendien dat door hun geïsoleerde positie sommige inspecteurs niet weten bij wie zij terecht kunnen voor deskundig advies. Een ander, vanuit juridisch oogpunt principiëler, ongewenst effect van de “lonely hunter” positie van de inspecteurs is het risico dat deze onvoldoende scherp blijven op het rechtsstatelijke concept van uniformiteit in de handhaving. Weliswaar onderschrijft de inspectie het belang van dit concept, en wordt er formeel ook op gestuurd door bijvoorbeeld intervisie12, maar waar het aantal contactmomenten terugloopt zal ook de informele onderlinge aanscherping door middel van intervisie afbrokkelen en dreigt het gevaar dat de handhaving niet alleen minder deskundig maar ook minder uniform zal plaatsvinden.

    Meer juridisch beschouwd kan, ten slotte, worden opgemerkt dat de deskundigheid formeel ook niet is gewaarborgd. Waar voorheen een overzicht van deskundigheden was opgenomen in het Organisatie-, Mandaat- en Volmachtbesluit (OMV) van de Arbeidsinspectie13, is dit nu niet langer het geval. Het huidige OMV van de directie arbeidsomstandigheden maakt in tegenstelling tot het OMV uit 2007 geen melding meer van de diverse deskundigheden, waarmee geen formele invulling is gegeven aan art. 9 ILO Verdrag.14

Lees verder....

  • Onafhankelijkheid

    Ten slotte, en niet minder principieel, kunnen vragen worden gesteld betreffende de onafhankelijkheid van de dienst.

    Ten eerste wordt de inkrimping van de Arbeidsinspectie niet alleen ingegeven door de penibele financiële situatie van de overheid, maar ook door politieke keuzes. In dit verband kan worden verwezen naar het concept van de zogeheten inspectievakanties (goed presterende bedrijven mogen niet meer dan twee keer per jaar bezocht worden door een inspectiedienst, ongeacht van welk departement). Het concept van de inspectievakantie is niet zozeer ingegeven door de methodisch verantwoorde prioriteitstelling die binnen de Arbeidsinspectie wordt gehanteerd, maar komt primair tegemoet aan klachten van werkgevers over de kennelijke administratieve last die inspectie oplegt aan het bedrijfsleven.

    “Inspectievakantie” binnen het domein van veiligheid en gezondheid is op zich overigens nog wel verdedigbaar: de Arbeidsinspectie zelf heeft een goed onderbouwde methodiek voor het stellen van prioriteiten, waarbij een goede nalevingsgraad in een bepaalde branche tot een lagere inspectiefrequentie kan leiden. Maar zoals hierboven is aangegeven (noot 33), is van verbetering van de arbeidsomstandigheden eigenlijk nauwelijks sprake – evenmin als van verbeterde naleving. Dat op grond van inhoudelijke overwegingen binnen het domein van veiligheid en gezondheid de teugels zouden kunnen worden gevierd, is dus niet te onderbouwen. Een inspectievakantie die wordt ingefluisterd door de politieke voorkeur van het huidige kabinet, staat mijns inziens dan ook op gespannen voet met art. 6 van het Verdrag, dat spreekt over onafhankelijkheid ten aanzien van “changes of government and [..] improper external influences”. Het concept van ‘vakantie-inspectie’ betekent immers dat de inzet en prioriteiten van de Arbeidsinspectie mede worden bepaald door invloeden die niet eigen zijn aan het domein van de Arbeidsinspectie zelf. De Arbeidsinspectie, om de strekking van art. 6 van het Verdrag te herhalen, is een onafhankelijke toezichthouder die in hoge mate los van de politieke agenda van de beleidsmakers zijn eigen koers dient te bepalen.1

    Een tweede ontwikkeling waar vanuit het idee van de onafhankelijkheid van de Arbeidsinspectie vragen bij gesteld kunnen worden, is de toenemende verwevenheid van de inhoudelijk deskundigen van het Expertisecentrum met de beleidsafdelingen van het ministerie. In artikel 9 van het Verdrag staat dat de deskundigen “are associated in the work of inspection” (cursivering JP). De in artikel 9 genoemde deskundigen zouden ondersteunend moeten zijn aan het veldwerk, als tweede-lijnsdeskundigen. In de praktijk blijkt echter dat een aanzienlijk deel van de werkzaamheden van de experts bestaat uit inhoudelijke ondersteuning van de beleidsafdelingen en, in omgekeerde richting, het ‘vertalen’ van beleid van de beleidsafdeling van het ministerie in handzame richtlijnen voor inspectieprojecten. De tijd voor de tweede-lijns ondersteuning ten behoeve van de inspecteurs in de buitendienst komt hiermee nog verder onder druk te staan – waarmee het eerder besproken probleem van de kwantitatieve onderbezetting alleen maar groter wordt. Van meer principiële betekenis is echter dat dezelfde specialisten ook projectleiders en inspecteurs van de Arbeidsinspectie ondersteunen (wat hun kerntaak zou behoren te zijn), waarbij zij al snel in een spagaat kunnen komen indien de beleidsafdeling een andere opvatting is toegedaan over bijvoorbeeld prioriteiten of een juiste aanpak dan de inspectiedienst zelf. De inhoudelijk specialisten raken hiermee een deel van hun onafhankelijkheid kwijt.

    Die onafhankelijkheid, casu quo de scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht, is echter een fundamenteel element in een goede verdeling van verantwoordelijkheden en vormt de staatsrechtelijke basis voor het vertrouwen in het toezicht.2 Dat voor die heldere scheiding van verantwoordelijkheden wellicht gevreesd moet worden, blijkt uit een tamelijk cruciale passage in het Benchmarkonderzoek Rijksinspecties van het bureau Ernst & Young.3 In dit rapport valt te lezen: “We hebben de indruk dat in de relatie tussen beleid en toezicht, de balans nog te veel ligt bij het aanbod vanuit de directie arbeidsomstandigheden [van de Arbeidsinspectie, JP] en dat het beleid nogal reactief is.4 De inhoud van het Jaarplan is door de directie arbeidsomstandigheden ingevuld. De beleidsafdeling [‘Veilig en gezond werken’ JP], andere AI directies en de algemeen directeur worden wel betrokken bij de totstandkoming, maar schrijven de inhoud van de te leveren producten niet dwingend voor” [cursivering JP].

    Met de gecursiveerde verzuchting wordt volledig voorbij gegaan aan het cruciale gegeven dat de Arbeidsinspectie juist niet dienstbaar moet zijn aan het beleid, maar bovenal los moet staan van politieke beïnvloeding. Het bureau geeft blijk van onvoldoende inzicht in het belang van de scheiding tussen beleid en de toezichthoudende verantwoordelijkheden. Uiteraard is het goed dat de Arbeidsinspectie weet wat er speelt op beleidsniveau (en omgekeerd), maar de verantwoordelijkheden dienen helder gescheiden te blijven. Door toenemende betrokkenheid van experts van de Arbeidsinspectie bij het beleid van het ministerie dreigen niet alleen de experts zélf in een spagaat terecht te komen, terwijl omgekeerd dreigt dat de beleidsafdeling zich inhoudelijk gaat bemoeien met de activiteiten en prioriteiten van de Arbeidsinspectie – waarmee de onafhankelijkheid van de inspectie in het gedrang zou kunnen komen.

 

  • Conclusie en nawoord

    De Nederlandse Arbeidsinspectie is een organisatie die al jaren onder druk staat. Eens in de zoveel jaar wordt de dienst geconfronteerd met een reorganisatie, veelal gericht op vergroting van de efficiency – en zelden of nooit op versterking van de effectiviteit (in termen van verbeterde naleving of vermindering van het aantal ongevallen/beroepsziekten).1 Sterker nog: de slechte naleving van de arboregelgeving is voor opeenvolgende kabinetten, paradoxaal genoeg, één van de redenen om werkgevers en werknemers juist méér eigen verantwoordelijkheid te geven. ‘Deregulering en maatwerk’ zijn de sleutelwoorden, die als vanzelf tot een beter nalevingsgedrag zouden moeten leiden.2

    De aanpak van geconditioneerde zelfregulering leidt echter nauwelijks tot verbetering in de arbeidsomstandigheden van werknemers.3 Het percentage bedrijven dat zelfs de meest elementaire verplichting van een goed arbobeleid (art. 5 Arbowet: de uitvoering van de risico-inventarisatie en -evaluatie) naleeft, loopt al jaren achteruit.4 Het aantal tekortkomingen dat wordt geconstateerd bij inspecties blijft onverminderd hoog. In 2006 werd in 51% van de geïnspecteerde bedrijven tekortkoming geconstateerd5, in 2008 vonden inspecteurs in 56% van de uitgevoerde inspecties aanleiding om te interveniëren6, en in 2010 was dat 61%.7 Aldus de schrale oogst van ‘zelfregulering’.8

    Juist handhaving blijkt echter een buitengewoon effectief instrument te zijn om werkgevers te bewegen tot naleving van de voorschriften. In die gevallen waarin de Arbeidsinspectie handhavend is opgetreden, blijkt de situatie bij hercontrole vrijwel altijd te zijn opgelost: in 98% van de bedrijven hoeft niet opnieuw handhavend te worden opgetreden.9 Een effectiviteit waarbij menige dienst “de vingers bij kan aflikken”. Men zou dus denken dat het aantal inspecteurs eerder uitgebreid zou moeten worden dan ingekrompen. Op basis van gegevens van de ILO kan, overigens met enige methodologische slagen om de arm, ook worden geconcludeerd dat in landen waarin het aantal inspecties daalt het aantal ongevallen stijgt.10

    Het is dan ook duidelijk dat de inkrimpingstaakstelling niet is ingegeven door inhoudelijke overwegingen of wordt overwogen omdat, wellicht door effectieve handhaving, de naleving verbeterd is. Integendeel: de aanstaande inkrimping van de Arbeidsinspectie wordt uitsluitend ingegeven door politieke motieven – waaronder ook minder administratieve lasten voor werkgevers (‘inspectievakantie’). Het is evenzeer duidelijk dat aansturing van de Arbeidsinspectie op basis van opportuniteit en toevallige politieke overwegingen op gespannen voet staat met het oogmerk van ILO Verdrag 81 – de ontwikkeling van een onafhankelijke, deskundige Arbeidsinspectie.

    Het voornemen om de Arbeidsinspectie fors in te krimpen staat haaks op wat op dit moment nodig zou zijn – uitbreiding van de formatie, versterkte deskundigheid (met name ook op het gebied van gevaarlijke stoffen, bedrijfsgeneeskunde en nieuwe technologieën zoals nanotechnologie), een zwaardere rol op het gebied van beroepsziekten, waarborging van de onafhankelijkheid van de dienst los van de politieke waan van de dag, én een verhoogde inspectiefrequentie. ‘Inspectievakantie’ met betrekking tot arbeidsomstandigheden in bedrijven is, in het licht van een inspectiefrequentie van gemiddeld eens per 40 jaar en de daaraan gekoppelde bevinding dat slechts 1% van de werkgevers kennelijk enige schrik heeft van de inspectie, een werkelijk absurde gedachte. Een dergelijk beleid is in strijd met artikel 16 van het Verdrag.

    Zelfs al zouden de puur formele bezwaren tegen de inkrimping die in deze bijdrage de revue zijn gepasseerd allemaal ongegrond zijn, dan nog is het inhoudelijke belang van veiligheid en gezondheid van werknemers voldoende reden om de voorgenomen inkrimping een halt toe te roepen. Nog los van de al gememoreerde doden, zieken en gewonden, belopen de maatschappelijke kosten van slechte arbeidsomstandigheden meer 6 miljard Euro per jaar.11

    Een procedure via de ILO heeft, zoals hierboven al aangegeven, niet direct juridische werking – behalve via de ‘mobilisation of shame’. In een land waar jaarlijks duizenden mensen overlijden als gevolg van hun werk, tienduizenden een beroepsziekte oplopen en vele duizenden blijvend letsel overhouden als gevolg van een arbeidsongeval, zou het inderdaad een schande zijn indien de Arbeidsinspectie niet de formatie en middelen krijgt die nodig zijn om die werkgerelateerde schade terug te dringen. Een verdere inkrimping van de dienst is de schaamte voorbij.

 

 

 De RI&E van een doorsnee onderneming

 Wat opmerkingen van Sikoss.

Het doorlezen van de RI&E laat zien dat maximaal bezuinigd is op de hygiëne in en rond kantines en dat rayonmanagers een te hoge belasting ervaren op PSA. Dit is vanwege het geringe aantal (0,4%) zeker geen groot risico.

Er zijn over deze RI&E moeizaam wat grieven in concept bijeen gesprokkeld. Het zijn er niet veel.

001. Helaas is de branche RI&E methode voor besloten busvervoer niet erkend maar wel in deze RI&E gebruikt.
002. Helaas moet deze branche RI&E als onvolledig en onkundig worden geoormerkt.
003. Helaas zijn er in deze RI&E geen welzijnsonderzoeken uitgevoerd.
004. Helaas zijn de PSA problemen bij managers, 0,4% boven water gekomen.
005. Helaas blijven managers niet lang genoeg op één vestiging zodat psychiatrische ondersteuning zinloos is.
006. Helaas is het wel zo dat door de hoge PSA belasting bij managers, buschauffeurs geen PSA ondersteuning krijgen.
007. Helaas zijn de PSA problemen bij buschauffeurs, 34% niet boven water gekomen.
008. Helaas zijn de hoge PSA problemen bij S/V, 60% niet genoemd.
009. Helaas is de preventiemedewerker CXX al jaren spoorloos.
010. Helaas zijn alle rayonmanagers CXX al jaren bewust onbekwaam op het gebied van de RI&E.
011. Helaas zijn alle rayonmanagers CXX daardoor dus wettelijk ongeschikt als preventiemedewerker.
012. Helaas worden nieuwe preventiemedewerkers in de toekomst afgerekend op hun inzet.
013. Helaas is het verzuimbeleid enkel getoetst aan het verzuimbeleid zelf.
014. Helaas is het verzuimbeleid daardoor eenzijdig benadert.
015. Helaas is het asociale verzuimbeleid van CXX managers in deze RI&E daardoor onderbelicht.
016. Helaas zijn de ingebrachte documenten niet voor iedereen inzichtelijk gemaakt.
017. Helaas zijn de gesprekspartners in deze RI&E ongenoemd gelaten.
018. Helaas staat er onder deze RI&E geen handtekening van de onderzoeker.
019. Helaas zijn in deze RI&E de verantwoordelijken voor de veranderingen in het plan van aanpak niet genoemd.
020. Helaas wordt in deze RI&E de data van gereedheid voor de veranderingen niet genoemd.
021. Helaas wordt in deze RI&E een evaluatie data van de genomen maatregelen niet nader benoemd.
022. Helaas zijn in deze RI&E de werk en rusttijden niet aan bod gekomen.
023. Helaas is er geen verdiepend onderzoek voorgesteld in deze RI&E op biologische agentia (artikel 4.85);
024. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op fysieke belasting (artikel 5.3);
025. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op geschiktheid arbeidsmiddelen ;
026. Helaas is er ook geen verdiepend onderzoek voorgesteld op keuze persoonlijke beschermingsmiddelen (artikel 8.2).
027. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op kunstmatige optische straling (artikel 6.12d)
028. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op lawaai (artikel 6.7);
029. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op trillingen (artikel 6.11b);
030. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op agressie en geweld.
031. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op hittestress.
032. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op functie inhoud.
033. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op werkdruk.
034. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op werkplezier.
035. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld naar de kwaliteit van de aanboden arbeidstherapie.

036. Helaas hebben AT werkzaamheden bij CXX niets te maken met het eigen werk maar zijn een nutteloze werkverschaffing.
037. Helaas worden eindproducten van vervelende AT werkzaamheden aan het eind van de dag in de prullenbak gegooid.
038. Helaas is er in deze RI&E geen verdiepend onderzoek voorgesteld op het ontbreken van werkoverleg.
039. Helaas worden de werkoverleggen al jarenlang verziekt door mondige werknemers met klachten over hun arbeidsomstandigheden.
040. Helaas wordt er naar werkoverleg verwezen terwijl is vastgesteld dat werkoverleg bij CXX voornamelijk ontbreekt.
041. Helaas was de code 95 opleiding volgens het onderwijsinspectie niet op het vereiste niveau.
042. Helaas waren de voorgaande cursussen van de afgelopen 25 jaar van de zelfde kwaliteit.
043. Helaas wordt de rest van het werkoverlegtijd gevuld met overbodige top/down informatie.
044. Helaas worden persoonlijk beschermingsmiddelen zoals GVB cabine deuren met glazenplaat die bij naderend geweld omhoog kunnen geweigerd in het RC overleg.
045. Helaas is er in deze RI&E onvoldoende contact geweest van de onderzoeker met werknemers en/of de plaatselijke medezeggenschap.
046. Helaas is er al jaren geen contact geweest tussen de werkvloer en de preventiemedewerker.
047. Helaas worden preventiemedewerkers net voor een contact met de werkvloer ontslagen of overgeplaatst.
048. Helaas zijn er in deze RI&E door de onderzoeker veel adviezen gegeven om vruchteloos verder te overleggen.
049. Helaas zijn er in deze RI&E veel verwijzingen naar bedrijfsprotocollen die juist door de managers worden genegeerd.
050. Helaas is de CXX gezondheidsmonitor in deze RI&E wel genoemd, maar niet gecontroleerd op inhoud.
051. Helaas hebben chauffeurs (95%) in de CXX gezondheidsmonitor geen vraag te beantwoorden die over trillingen gaat.
052. Helaas heeft kantoorpersoneel (5%)in de CXX gezondheidsmonitor wel een vraag over trillingen te beantwoorden?
053. Helaas is de CXX gezondheidsmonitor op het gebied van trillingen dus positief sturend.
054. Helaas is daardoor de CXX gezondheidsmonitor geen oprechte onderzoekslijst maar een schakel in een rij leugens.
055. Helaas zijn in het Arbo onderzoek naar arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen slimme schakels tussengevoegd waarvan hun invloed aan het zicht van werknemers en controleurs zijn onttrokken.
056. Helaas is de jaarlijkse VGM check in deze RI&E wel genoemd, maar niet gecontroleerd op inhoud.
057. Helaas zijn de RC's wel betrokken bij de RI&E/VGM check, maar hebben daar uiteindelijk totaal geen invloed op.
058. Helaas door het invullen van quickscan door een RC lid wordt onterecht het idee gegeven dat deze lijst in samenspraak met de RC tot stand komt.
059. Helaas blijkt het een incomplete vragenlijst te zijn die door CXX is samengesteld en expres arbeidsplaatsen van chauffeurs niet meeneemt in het onderzoek.
060. Helaas heeft het heel wat jaren geduurd voordat een RC lid daar per ongeluk belangrijke vragen over stelde.
061. Helaas was de OR nog jarenlang onbekwaam op het gebied van regelgeving rond arbeidsomstandigheden.
062. Helaas is de wettelijke taak van de preventiemedewerker CXX in deze RI&E weggeschreven.
063. Helaas zijn de conclusies en adviezen uit het trillingsonderzoek uit 2008 niet meegenomen in deze RI&E.

064. Helaas is het technische beleid bij CXX om trillingen te voorkomen jaren geleden al stil gezet (punt23).
065. Helaas is het heel moeilijk slechte technische keuzes vooraf, later goed aan te passen (punt23).
066. Helaas gaat CXX te snel over op een Calimero beleid als het over trillingen gaat (punt23).
067. Helaas verwijst CXX naar zijn opdrachtgevers als trillingen tot sprake wordt gebracht (punt23).
068. Helaas hebben die opdrachtgevers geen boodschap aan de slechte arbeidsomstandigheden van buschauffeurs, brief Almere 2014 (punt23).
069. Helaas zullen opdrachtgevers zich ook in de toekomst niet verantwoordelijk voelen voor de overbelasting van trillingen bij buschauffeurs (punt23).
070. Helaas lijkt het er op dat de grenswaarden overschrijdingen uit het trillingsrapport in deze RI&E uit economische gewin door de onderzoeker gebagatelliseerd zijn (punt23).
071. Helaas is het niet mogelijk alle wegen in biljart lakens te veranderen dus zullen bussen geschikt gemaakt moeten worden om over slechte wegen te rijden (punt23).
072. Helaas is een helder stoelenbeleid nog geen oplossing om onder de actiewaarde van 0,5ms2 te komen (punt23).
073. Helaas is een helder stoelenbeleid op papier blijkbaar toch geen afdoend beleid om comfort in de praktijk te garanderen (punt23).
074. Helaas kan een helder stoelenbeleid blijkbaar toch voor smerige en stinkende stoelzittingen zorgen (punt23)
075. Helaas geeft een helder stoelenbeleid op kantoor op de werkplek nog geen inzicht in onderhoud en kwaliteit (punt23).
076. Helaas wordt in dat helder stoelenbeleid een vervanging tijdstip vastgesteld na 360000 kilometer (punt23).
077. Helaas worden busstoelen daardoor pas na 25550 intensieve zituren vervangen, omgezet naar een normale kantoorsituatie wordt de stoel (zitting) dus pas om de 10 jaar vervangen 0(punt23).
078. Helaas komt dat overeen met de versleten stoelen waar elke zieke werknemer tijdens zijn arbeidstherapie passagiers tellijsten in kan voeren op een trage steeds vastlopende netwerkcomputer. De stoelen van de managers zijn gelukkig beter. (punt23).
079. Helaas worden zieke werknemers vaak ingezet voor nutteloze karweitjes die aan het eind van de werkdag in de prullenmand verdwijnen.
080. Helaas blijkt dit helder stoelenbeleid toch voor smerige vervuilde en versleten stoelzittingen zorgen (punt23).
081. Helaas moeten chauffeurs eerst allemaal 14 x klagen voordat herstel werkzaamheden worden uitgevoerd (punt23).
082. Helaas heeft dit trillingsonderzoek uit 2008 nog geen invloed gehad op aankoop van veel beter materiaal (punt23).
083. Helaas worden buschauffeur bij CXX tot op heden structureel overbelast door trillingen (punt23).
084. Helaas is een test van vijf veelgebruikte voertuigen statistisch geen juiste afspiegeling van een wagenpark van 8000 voertuigen (punt23).
085. Helaas zijn daardoor honderden oude en versleten voertuigen on getest gebleven op trillingen (punt23).
086. Helaas is het rijgedrag van chauffeurs van invloed op de trilbelasting van chauffeurs (punt23).
087. Helaas wel, want als ze niet rijden dus niet (punt23).
088. Helaas zijn de krappe ronde tijden het meest van invloed op het racegedrag van buschauffeurs (punt23).
089. Helaas zijn de pauzes vaak al op voor ze er goed en wel aan kunnen beginnen. (punt23).
090. Helaas zijn de werkdagen te lang om onder de actie grens van 0,5ms2 te blijven (punt23).

091. Helaas wordt bij trillingen in het openbaar vervoer, de aanpak bij de bron niet opgepakt (punt23).
092. Helaas wordt de actiegrens (0,5M/2) in alle diensten en op alle bussen overschreden (punt23).
093. Helaas worden in deze RI&E drempels overbelicht (punt23).
094. Helaas zijn daar niet genoeg drempels voor in verhouding met alle andere routes (punt23).
095. Helaas zijn er op provincie en snelwegen wel andere triloorzaken (punt23).
096. Helaas worden omleidingen in deze RI&E overbelicht (punt23)
097. Helaas blijken omleidingen soms van lange duur op invloed op de trilbelasting (punt23).
098. Helaas worden in deze RI&E normale routes onderbelicht (punt23).
099. Helaas worden in deze RI&E putdeksels op de routes onderbelicht (punt23).
100. Helaas worden in deze RI&E bushalte platen op de normale routes onderbelicht (punt23).
101. Helaas als omleidingen erg slecht zijn wil het niet gelijk zeggen dat de gewone routes veel beter zijn (punt23).
102. Helaas worden in deze RI&E normale routes onderbelicht (punt23).
103. Helaas wordt in deze RI&E het effect van goede stoelen overbelicht (punt23).
104. Helaas worden in deze RI&E versleten stoelen onderbelicht (punt23).
105. Helaas wordt in deze RI&E het onderhoud van stoelen zwaar overdreven (punt23).
106. Helaas wordt in deze RI&E de invloed van de rijstijl van chauffeurs expres overbelicht (punt23).
107. Helaas wordt in deze RI&E de invloed van de rijtijden/dienstregeling expres onderbelicht (punt23).
108. Helaas zijn de duw eigenschappen van gelede wagens op bruggen in Almere in deze RI&E onderbelicht (punt23).
109. Helaas is de invloed van voertuigslijtage op rillingen in deze RI&E niet afdoende onderzocht (punt23).
110. Helaas is gebruik van tijdelijke bus/bouwwegen (5 jaar in Almere) in deze RI&E expres niet meegenomen (punt23).
111. Helaas is de invloed van de 1 bar hogere bandenspanning in deze RI&E niet onderzocht t.b.v. actie/grens overschrijding van trillingen (punt23).
112. Helaas is het verlagen van de duurbelasting nog niet gebruikt om trillingen onder de actiegrens te brengen (punt 23).
113. Helaas heeft het goed instellen van stoelen geen effect op een verlaging van brontrillingen.(punt 23)
114. Helaas zijn de conclusies en adviezen uit het trillingsonderzoek uit 2008 niet meegenomen in deze RI&E (punt23).
115. Helaas zijn gecufferde banden niet onderzocht op hun trilling verhogende eigenschappen (punt23).
116. Helaas zijn de arbeidsomstandigheden van buschauffeurs tot op heden niet van invloed gebleken op de kwaliteit van de infrastructuur (punt23).
117. Helaas is het advies in deze RI&E, om met de wegbeheerder te overleggen daardoor geen effectieve oplossing in de aanpak van trillingen (punt23).
118. Helaas is er in deze RI&E niet een advies gegeven om de trilbelasting beneden de vastgestelde (2008) actie waarden te krijgen (punt23).
119. Helaas blijven slecht functionerende bussen ondanks goed uitgevoerd en voorgeschreven onderhoud, slecht functionerende bussen (punt23).
120. Helaas is in deze RI&E de verblinding van verkeerslichten nachts in Almere niet onderzocht.
121. Helaas is in deze RI&E de reflectie van de binnenverlichting in de voorruit in het donker niet onderzocht.
122. Helaas is in deze RI&E geluidsbelasting door trillend interieur op de bus niet onderzocht.
123. Helaas zijn in deze RI&E de airco's in de voertuigen niet gecontroleerd op doelmatigheid.
124. Helaas is in deze RI&E de oorzaak van het hoge ziekteverzuim van al die buschauffeurs niet voldoende onderzocht.
125. Helaas is het advies in deze RI&E, om de twee uur een plaspauze in te lassen nog niet verwerkt in de nieuwe dienstregeling (punt24).
126. Helaas komt het regelmatig voor dat chauffeurs één dag van te voren pas horen wat ze moeten doen (punt24).
127. Helaas als werkoverleg achterwege blijft wat moeten verbeterteams dan nog verbeteren.
128. Helaas worden verbeter teams al jaren samengesteld uit jonge collega’s zonder ervaring en kennis van zaken.
129. Helaas stelt deze RI&E dat alle werkomgevingen fysiek in orde zijn ondanks de grenswaarde overschrijdingen in het trillingsrapport 2008 op 95 % van de werkplekken (punt23).
130. Helaas moeten we dan vaststellen dat deze RI&E niet volledig is.
131. Helaas moeten we vaststellen dat de onderzoeker t.b.v. deze RI&E gebruikt maakt van veel suggestief woordgebruik om de zorgplicht van de werkgever om te smelten naar de verantwoordelijkheid van de werknemer.
132. Helaas moeten we vast stellen dat deze RI&E geen positief bijdrage levert aan het terug brengen van werkgerelateerde gezondheidsproblemen.
133. Helaas wil CXX met deze RI&E blijkbaar de schijn ophouden, dat zij voldoet aan haar wettelijk verplichting.