www.sikoss.info

Samenwerkend Internationaal Kennis centrum Openbaar vervoer Stad & Streek.

 

Kwartiermaker moet aanwas bedrijfsarts vergroten

Minister Asscher (Sociale Zaken) stelt nog dit voorjaar een kwartiermaker aan die het dreigende tekort aan bedrijfsartsen moet afwenden. De PvdA-minister komt hiermee gedeeltelijk tegemoet aan een wens van een Kamermeerderheid van PvdA, SP, D66 en CDA.

Deze gelegenheidscoalitie uitte donderdagmiddag tijdens een Kamerdebat over de arbeidsgeneeskundige zorg grote zorgen over de positie van de bedrijfsarts en de stagnerende instroom in de opleiding. De kwartiermaker, die in april aan het werk gaat, moet in samenspraak met artsenorganisaties en de beroepsvereniging gaan kijken hoe de instroom in de opleiding tot bedrijfsarts verhoogd kan worden. In de komende weken gaat Asscher met verschillende betrokken partijen in overleg om de precieze opdracht van de kwartiermaker te bepalen.

Maar, zo benadrukte de minister nogmaals, het is geen taak van de overheid om deze studie ook (deels) te betalen. ‘Ik ben bereid een kwartiermaker of een aanjager aan te stellen, maar ik ga niet het stelsel wijzigen. We hebben de arbozorg in Nederland zo ingericht dat arbodiensten en bedrijfsartsen werken in een privaat gefinancierde markt. De kwartiermaker wordt niet op pad gestuurd in de wetenschap dat de overheid geld beschikbaar stelt voor de financiering van de opleiding.’

Hoewel de vier partijen blij waren met deze toezegging van Asscher, hadden zij graag gezien dat de bewindsman ook had ingestemd met een opleidingsfonds voor bedrijfsartsen. Deels gevuld met geld van de overheid. ‘De infrastructuur in de bedrijfsgeneeskundige zorg is aan het verloederen’, stelde SP-Kamerlid Paul Ulenbelt. ‘De bedrijfsarts wordt met uitsterven bedreigd. In plaats van alle hens aan dek, laat Asscher alles over aan werkgevers en werknemers. Maar die zijn onderling verdeeld. De overheid moet daarom het initiatief nemen om de arbozorg weer op orde te krijgen. Om te beginnen zou er een opleidingsfonds moeten komen voor bedrijfsartsen.’

Ook PvdA-Kamerlid Grace Tanamal vindt dat ‘we de arbeidsgeneeskundige zorg niet alleen (kunnen) overlaten aan de marktpartijen. Het gaat niet goed, wij moeten iets doen. Ik zou de minister toch willen verzoeken om te kijken of er mogelijkheden zijn waarbij de overheid de opleiding tot bedrijfsarts mede financiert.'

De Kamerleden Heerma (CDA) en Van Weyenberg (D66) sloten zich aan bij het pleidooi van de twee linkse partijen. ‘De gezondheid van werknemers moet niet onder druk komen te staan door een tekort aan goed opgeleide bedrijfsartsen’, zei Van Weyenberg. ‘Asscher hoeft de opleiding echt niet in zijn eentje te betalen, maar onderzoek de mogelijkheden van een deels met publiek geld gevuld opleidingsfonds.’

VVD-parlementariër Anoushka Schut was tegen het meebetalen door de overheid aan de opleiding tot bedrijfsarts. ‘Is de wijze van financiering van de opleiding wel het echte probleem? Volgens mij moeten we eerder kijken naar het imago van de bedrijfsarts. We moeten het beroep aantrekkelijker maken.’
De positie van de bedrijfsarts is al jaren onderwerp van een slepende discussie tussen sociale partners, beroepsverenigingen en politiek Den Haag. Dit voorjaar debatteert de Kamer met minister Asscher over een wijziging van de Arbowet per 1 juli, die mede als doel heeft de positie van de bedrijfsarts te versterken. Hierin is onder meer geregeld dat iedere werknemer toegang heeft tot een bedrijfsarts, is de mogelijkheid opgenomen van een second opinion door een andere bedrijfsarts en wordt vastgelegd dat een bedrijfsarts de werkplek kan bezoeken.

Bron: Klik hier.

Bas Knoop
@bknoop

      
08-12-2015   ‘Kennisinstituut moet claim beroepsziekte beoordelen’
13-03-2015   Tweestrijd om bedrijfsarts barst weer los
30-11-2015   Minister: ‘Bedrijfsartsen moeten opleiding zelf betalen’
10-09-2014   Onzekerheid voor bedrijfsartsen duurt voort

Online gepubliceerd op: 14 januari 2016

 

 

 

 

 

Van Daan Jansen

De aanpak van problemen rond medewerkers die ziek worden door hun werk moet beter. Ook de bedrijfsarts heeft daar een verantwoordelijkheid in en die vult dat regelmatig niet goed in. Dat zegt de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) als reactie op ons onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts binnen ons dossier Ziek door het werk.

 

Uit ons onderzoek blijkt dat bedrijfsartsen beroepsziekten regelmatig niet herkennen of niet adequaat ingrijpen. De NVAB erkent dat er zaken moeten verbeteren. ‘Op het gebied van kennis kan er zeker veel verbeteren,’ zegt Herman Spanjaard, vicevoorzitter van de vereniging voor bedrijfsartsen. ‘De beroepsvereniging trekt zich de signalen uit uw onderzoek aan. En ik denk dat de individuele bedrijfsarts zich dat ook aan moet trekken en goed moet denken over na- en bijscholing zodat hij die kennis wel eigen maakt.’

Contracten

Daarnaast blijkt uit ons onderzoek dat bedrijfsartsen niet altijd in kunnen grijpen, omdat het hen aan de middelen ontbreekt. In veel contracten tussen werkgevers en bedrijfsartsen is niet opgenomen dat de bedrijfsarts de situatie op de werkvloer kan komen bekijken. Ook hebben veel werknemers geen vrije toegang tot de bedrijfsarts.

De beroepsvereniging wil dat minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in actie komt, zodat bedrijfsartsen beter hun werk kunnen doen. ‘De minister zal een stap moeten zetten en de wetgeving veranderen. Zodat de inhoud van de contracten beter wordt,’ zegt Spanjaard.

Dood

De NVAB onderschrijft dat door de huidige situatie werknemers met een beroepsziekte de dupe zijn. ‘De essentie is dat er mensen ziek worden en op een gegeven moment zelfs dood gaan. En dat daar onvoldoende aandacht voor is. Dat is niet goed,’ aldus de vicevoorzitter. ‘Dat zou een alarmsignaal moeten geven, niet alleen bij ons maar ook bij de politiek. Dat moet je samen doen, wij kunnen dit niet alleen.’

 

Delegatie van taken door bedrijfsartsen in het kader van de sociaal medische begeleiding

De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) krijgt veel vragen over de visie van de beroepsgroep op het delegeren van taken bij verzuimbegeleiding. Verder zijn er signalen dat Arbo-diensten hierover zeer diverse opvattingen hebben en van de bedrijfsartsen en andere artsen verwachten dat ze zich aan de opvattingen van hun organisatie conformeren. De NVAB is gebaat bij een uniforme opvatting over delegeren in verband met de kwaliteit van de zorg voor werkenden en de mogelijkheden die adequaat delegeren biedt voor de taakuitoefening van de bedrijfsarts en de zorg voor werkenden. In de Voorjaarsvergadering 2001 is daarom gesteld dat de beroepsvereniging hierover een standpunt moet innemen. In deze notitie is dit uitgewerkt. Na de probleemstelling komen aan de orde het benoemen van de verantwoordelijkheden en taken van de bedrijfsarts, welke taken gedelegeerd kunnen worden, het onderscheid tussen delegeren en verwijzen en aan welke randvoorwaarden dit dient te voldoen. Tot slot volgen enkele aanbevelingen.
 
Probleemstelling
Delegatie van taken door de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding biedt mogelijkheden vooreen betere taakuitoefening. Tijdsgebrek en schaarste aan bedrijfsartsen maken dat de bedrijfsarts niet steeds alle werkzaamheden zelf kan uitvoeren. Deze ontwikkelingen doen zich in de gehele geneeskunde voor. Dit blijkt uit de inzet van de Nurse Practitioner en Physician Assistent in het kader van taakherschikking. Bij taakherschikking moet wel duidelijk zijn onder welke condities dit geschiedt en hoe de verantwoordelijkheidsverdeling ligt. Gezien vanuit de patiënt-werkende, maar ook vanuit de positie van de bedrijfsarts moet aan strikte voorwaarden worden voldaan. Voor de notitie is dit vertaald naar de volgende 2 vraagstellingen:
 
1) Welke taken en/of verantwoordelijkheden in de verzuimbegeleiding zijn, naar de mening van de NVAB, voorbehouden aan de bedrijfsarts?
2) Welke taken kunnen, onder welke voorwaarden gedelegeerd worden, en hoe is daarbij de verantwoordelijkheidsverdeling?' 
 
Onderliggende doelstelling is dat de beroepsgroep er bij gebaat is dat bedrijfsartsen zo efficiënt mogelijk werken en dat inzet van anderen de totale kwaliteit van de arbozorg kan verhogen. Voor de beantwoording van de probleemstelling is een werkgroep samengesteld uit bedrijfsartsen uit diverse werksituaties. Ook is de Commissie Beroepsuitoefening en Ethiek om advies gevraagd. Publicaties van huisartsen en verzekeringsgeneeskundigen over delegatie zijn betrokken en diverse leden uit deze beroepsgroepen zijn geïnterviewd. Commentaar van KNMG, BOA en beroepsverenigingen van bedrijfsverpleegkundigen en psychologen is in dit standpunt betrokken.
Deze standpuntbepaling beperkt zich tot de taken van de bedrijfsarts in het kader van de verzuimbegeleiding. Hier liggen de meeste vragen om verduidelijking. Omdat in de
verzuimbegeleiding ook aspecten zoals het melden van een beroepsziekte en het maken van een audiogram aan de orde komen, zijn deze betrokken in deze notitie.
 
Verantwoordelijkheden van de bedrijfsarts
De werkende (en werknemersvertegenwoordiging) en de werkgever hebben elk hun eigen verantwoordelijkheid bij ziekteverzuim, reïntegratie en preventie. Indien werkgever en werknemer daarbij de bedrijfsarts inschakelen voor beoordeling en advies heeft deze een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van zijn of haar handelen, waarop hij of zij kan worden aangesproken. Voor de bedrijfsarts is dit geregeld in onder andere de wet BIG, de WGBO en de Arbowet
 
Indien de bedrijfsarts in loondienst is bij een Arbo-dienst ligt de civiele aansprakelijkheid als regel bij de werkgever, de tuchtrechter lijke aansprakelijkheid blijft bij de bedrijfsarts. Delegeren wordt onderscheiden van verwijzen, waar bij voor specifieke interventies gericht op de persoon verwezen wordt naar professionals met een eigen bevoegdheidsdomein, zoals psychologen en medisch specialisten. Zie verder onder 'Delegeren versus verwijzen door de bedrijfsarts'. Als de bedrijfsarts taken delegeert naar iemand zonder zelfstandige bevoegdheid als bedrijfsarts, bijvoorbeeld een arts in opleiding tot bedrijfsarts of een verpleegkundige, dan blijft de bedrijfsarts eindverantwoordelijk en dient daarom toezicht te houden tijdens de delegatie.
Delegatie heeft juridische en praktische aspecten. Met betrekking tot de juridische aspecten eisen de wet BIG en de rechtspraak in ieder geval het volgende: de opdracht gever (bedrijfsarts)
mag aan de niet-arts uitsluitend handelingen overlaten waartoe deze bekwaam kan worden geacht. De opdrachtgever moet dus op de hoogte zijn van en rekening houden met de beperkingen in de kennis en ervaring van degene aan wie gedelegeerd wordt en niet delegeren wanneer van bijzondere risico’s of vereisten sprake is. De bedrijfsarts houdt de persoonlijke eindverantwoordelijkheid en dient zodanig toezicht te houden dat die kan worden waargemaakt. Daartoe moeten er structurele werkafspraken en regelmatig toezicht zijn op de kwaliteit van de taakuitoefening door hen waaraan gedelegeerd wordt. Tevens is er binnen de instelling (meestal de Arbo-dienst) protocollering, al of niet verankerd in een kwaliteitssysteem, noodzakelijk: vastgelegde afspraken ten aan zien van de positie, taakverdeling en verantwoordelijkheden van de verschillende professionals. De kwaliteit hiervan dient te worden bewaakt.

 

In wettelijke regelingen, of op grond van bestaande professionele opvattingen al dan niet bevestigd door jurisprudentie, zijn de volgende taken en beoordelingen in elk geval voorbehouden aan of worden uitgevoerd onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de arts: - Verwijzen ten laste van AWBZ en Ziekenfonds(alleen registerbedrijfsartsen). - Melden van beroepsziekten aan NCvB (op basis van bekwaamheid in de regel registerbedrijfsartsen, maar door een dermatoloog of andere arbeidsgeneeskundig geschoolde arts werkzaam binnen de Arbodienst kan dit ook doen).- Rapporteren aan werkgever en werknemer in het kader van WAO art 71a met betrekking tot probleemanalyse WVP (alleen registerbedrijfsartsen; in de memorie van toelichting en de UWV-regelingen wordt steeds gesproken over bedrijfsartsen, gezien de titelbescherming zijn dit registerbedrijfsartsen).- Vaststellen van een medische of arbeidsgezondheidskundige diagnose en daarover communiceren met de werkende, een derde partij als UWV, huisarts, specialist,re-integratiebedrijf, verzekeraar, NCvB (alle artsen). - Vaststellen van een arbeidsgeneeskundig oordeel met betrekking tot een werksituatie,werkomstandigheden of taaksamenstelling in de zin van de Arbowet (registerbedrijfsarts en verzekeringsgeneeskundige, al of niet in overleg met een arbeidsdeskundige). Het juridische kader voor delegeren wordt hieronder uitgewerkt voor de taken van de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding. Taken van de bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding Wij onderscheiden met betrekking tot de verzuimbegeleiding de volgende taken van de bedrijfsarts:
 
 
1. Anamnese. Deze dient zowel te gaan over het medische toestandsbeeld als over de arbeid.
2. Lichamelijk, aanvullend (zoals audiometrie, bloedonderzoek en beeldvormend onderzoek) en psychodiagnostisch onderzoek.
3. Het stellen van een diagnose en opstellen van een differentiaaldiagnose.
4. Advisering aan werknemer, diens werkgever of arbeidsorganisatie en andere behandelaars.
5. Delegeren en verwijzen. Zie verder.
6. Informeren van en overleg met de curatieve sector en andere partijen binnen en buiten de Arbodienst.
 
Deze taken kunnen in de volle omvang, qua kennis, vaardigheden en attitude, door de registerbedrijfsarts worden uitgevoerd. Onder verantwoordelijkheid van de registerbedrijfsarts kunnen taken worden vervuld door anderen, door delegatie of verwijzing. Bij 'de anderen' zijn grofweg vijf groepen te onderscheiden. M.b.t. delegeren
 
 
a) Verpleegkundigen met art 3 BIG registratie en andere medisch geschoolde 'generalisten' . Er is bij de verpleegkundigen onderscheid te maken tussen degenen met (vaak Arbo- of bedrijfsverpleegkundigen genoemd) en zonder (meestal verzuimverpleegkundige of verzuimconsulent genoemd) nadere scholing in arbeidsgezondheidskunde en kennis van de werksituatie.
 
b) Niet medisch geschoolde casebegeleiders. Dit betreft met name bedrijfsmaatschappelijk werkenden (BMW), reïntegratiemanagers, personeelswerkers en arbeidsdeskundigen. Voor de BMW is er onderscheid nodig naar situaties waarin deze een rol vervult zoals vergelijkbaar met verpleegkundigen onder a) en de zelfstandige eerstelijns rol voor psychosociale hulpverlening. Een deel van hen valt onder een verenigingstuchtrecht. Arbeidsdeskundigen hebben sinds kort een registratie, die nog geen wettelijke status heeft.
 
c) Andere artsen (niet geregistreerde bedrijfsartsen). Dit betreft de bedrijfsarts in opleiding en andere artsen. De bedrijfsarts in opleiding staat onder supervisie van de praktijkbegeleider. Waar andere
artsen de verzuimbegeleiding uitvoeren, dient voor taken die aan de registerbedrijfsarts zijn voorbehouden supervisie te zijn geregeld.M.b.t. verwijzen
 
d) Art 3 BIG geregistreerde professionals Dit zijn professionals zoals GZ-psychologen en (bedrijfs-)fysiotherapeuten, maar ook huisartsen en medisch specialisten.NB. Er zijn professionals wiens opleiding wel en beroepstitel niet zijn geregeld in de wet BIG zoals optometristen en podotherapeuten. Dit zijn in de regel gespecialiseerde functionarissen met een veelal klein vakgebied.
 
e) Andere arboprofessionals met registratie als deskundige.
 
Dit zijn deskundigen in de zin van de Arbowet, binnen of buiten de Arbo-dienst werkzaam, alsmede zij die onder hun verantwoordelijkheid werken (arbeidshygiënist, veiligheidskundige en arbeids- & organisatiedeskundige), en andere deskundigen op het gebied van arbeid en gezondheid met een specifiek werkveld (zoals arbeidsdeskundigen en ergonomen). Delegeren versus verwijzen door de bedrijfsarts Uit de wettelijke regelgeving en bovenstaande punten volgt dat de bedrijfsarts de professional is die de eindverantwoordelijkheid voor de arbeidsgezondheidskundige advisering heeft. Bepaalde taken kunnen worden gedelegeerd naar niet-artsen in de Arbo-dienst.

 


bron RTL-Z

Werkgevers zetten bedrijfsartsen zo onder druk dat ze, ondanks alle wet- en regelgeving, met 'diagnosefraude' toch een werknemer het bedrijf uit kunnen werken. Dit blijkt uit klachten die binnenkomen bij Stichting Burnout.

Naar aanleiding van de vele klachten die binnengekomen zijn is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een officieel onderzoek gestart naar meldingen van Stichting Burnout. 

Burn-out niet voordelig voor werkgevers
Maar liefst 14 procent van de Nederlanders kampt met een burn-out. Volgens de Sociaal-Economische Raad (SER) valt dit onder 'arbeid gerelateerde zorg'. De Wet Verbetering Poortwachter stelt de werkgever en werknemer samen verantwoordelijk voor de re-integratie van deze werknemer.

Een burn-out betekent dat je ziek bent. En zolang je ziek bent kan een werkgever het dienstverband niet rechtsgeldig opzeggen. Dit klinkt als een duidelijke regeling, maar zonder erkenning van de diagnose burn-out door de bedrijfsarts is het op de lange termijn lastig om de werkgever aansprakelijk te stellen.

Helft bedrijfsartsen voelt druk van werkgever
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde geeft aan dat de uitgeoefende druk op bedrijfsartsen een bekend fenomeen is. Zij melden hierover het volgende: "Uit verschillende onderzoeken (OVAL 2013 en Astri 2011) blijkt dat ongeveer de helft van de bedrijfsartsen druk van een werkgever heeft ervaren. Zo’n 90 procent van de bedrijfsartsen geeft aan hier professioneel mee om te kunnen gaan."  Het is nog niet duidelijk op welke schaal deze 'diagnosefraude' plaatsvindt.

Volgens directeur Blankert van de Stichting Burnout is het probleem groter dan wij denken. “Ik krijg de meest bizarre diagnoses binnen van bedrijfsartsen, terwijl alle symptomen duiden op een burn-out. Asperger is toch iets geheel anders dan een burn-out. Maar liefst 90 procent van de bedrijfsartsen waar de stichting mee te maken krijg volgt de 'Landelijke Eerstelijns Samenwerkingsafspraken' voor overspannenheid en burn-out helaas niet. Zelfs na een second-opinion krijgen werknemers geen voet aan de grond.”

 


Onderzoek naar positie bedrijfsarts.

02-01-2012

De ondersteuning door de bedrijfsarts bij arbozaken, verzuim en re-integratie verloopt niet altijd vlekkeloos, zo blijkt uit recent onderzoek. Duidelijke informatie kan de problemen voor een deel ondervangen. Werk aan de winkel dus voor zowel de beroepsgroep, de overheid als de sociale partners.

De Arbeidsomstandighedenwet verplicht werkgevers om zich in een aantal taken te laten bijstaan door een bedrijfsarts. Omdat verschillende partijen vraagtekens hebben gezet bij het functioneren van de bedrijfsarts is onderzoek uitgevoerd naar de huidige positie van de bedrijfsarts. Hieronder enkele bevindingen.

  • Ongeveer de helft van de onderzochte bedrijven heeft een basiscontract. Die gaan uit van de wettelijke verplichtingen. Contact van werknemers met de bedrijfsarts beperkt zich in deze organisaties veelal tot het verzuimspreekuur. Veel werknemers weten niet hoe hoe en wanneer ze de bedrijfsarts te spreken kunnen krijgen, en wat diens taken en bevoegdheden zijn. Ook zijn veel werknemers niet bekend met de procedures. De helft van de ondervraagde werknemers zal bij werkgerelateerde gezondheidsklachten eerder voor een bezoek aan de huisarts kiezen dan aan de bedrijfsarts. Bij de meeste arbodiensten werken ook basisartsen die nog geen opleiding tot bedrijfsarts hebben gevolgd, of bedrijfsartsen in opleiding. Deze artsen kunnen onder supervisie van de bedrijfsarts vergelijkbare taken uitvoeren, maar voor zowel werkgever als werknemer is dit niet altijd helder. Van de 541 onderzochte bedrijfsartsen komt 21 procent regelmatig in situaties terecht waarin ze niet meer onafhankelijk kan werken. Dit als gevolg van de opstelling van werkgever, werknemer of zelfs de eigen arbodienst. Een deel van de werknemers is niet overtuigd van de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts. Bedrijfsartsen zouden meer preventieve taken willen uitvoeren dan hun contracten toelaten.

 

Eigen regels van de arbodienst; overeenkomst met de werkgever, klachtenregeling, Geschillencommissie Arbodiensten, etc.

Op een rijtje, zonder uitgebreid commentaar hetgeen is geregeld over de taken en verantwoordelijkheden van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts in dienst bij een arbodienst heeft een iets andere positie dan de bedrijfsarts in dienst van een werkgever. Op het verschil in hun positie wordt hier verder niet ingegaan. In de wet en regelgeving wordt veelal gesproken over arbodienst of deskundige. Als de wet inschakeling van een bedrijfsarts vereist, zoals bij ziekteverzuimbegeleiding, dan dient de arbodienst een bedrijfsarts in te schakelen die verantwoordelijk is.

 

 2002 ondehoud


Hieronder een vragenlijst over het functioneren van de bedrijfsarts. Mij hebben ze nog nooit wat gevraagd, in de afgelopen 35 in het streekvervoer heb ik nog nooit een bedrijfsarts getroffen die enig idee had hoe mijn werkplek er uit zag en aan welke belasting ik bloot stond, op vragen over mijn lichamelijke klachten (arm/schouder/nek/rug) die ik had bleef het stil aan de andere kant van de tafel. Daardoor heb ik mij bij de OV bedrijfsartsen altijd onbegrepen gevoeld, bij de 8 huisartsen die ik had in de zelfde periode heb ik daar nooit last van gehad. Ik heb nog nooit van een bedrijfsarts vernomen dat ze hadden meegewerkt aan een arbeiddeskundig onderzoek naar de arbeidsbelasting op mijn werkplek. Ik heb in +/- 1998 naar aanleiding van schouderklachten een zit instructie gekregen van een redelijk agressieve Fysio-trainer uit de Richard Smith clan, op een stoel in een voor mij onbekende bus, de stoel was nieuw en zat lekker. Na de instructie heb ik hem in de garage op de drie versleten stoelen gewezen in drie toevallige bussen uit Almere, waar we het normaal mee moeten doen, einde instructie.
 
Redacteur Ergonomie.

Blz 110

Herinvoering verplicht arbeidsomstandighedenspreekuur is van veel belang voor de thema’s toegankelijkheid, onafhankelijkheid en preventie.Mede als gevolg van de economische recessie en deregulering, sluiten veel werkgevers een ‘basiscontract’ af met een arbodienst of zelfstandige bedrijfsarts dat beperkt blijft tot de wettelijk verplichte taken rond verzuimbegeleiding. Volgens de geënquêteerde bedrijfsartsen is dit bij gemiddeld 44% van de werkgevers waarvoor men werkt het geval [tabel 3.5]. Contractueel is hiermee de toegankelijkheid tot de bedrijfsarts bij verzuim geregeld.

De keuze is aan de werkgever om in het contract ook preventieve dienstverlening op te nemen, zoals een vrij toegankelijk arbeidsomstandighedenspreekuur, waar werknemers op eigen initiatief naar toe kunnen, zonder dat sprake is van verzuim. Het onderzoek laat zien dat deze mogelijkheid niet in alle contracten is opgenomen. Dit betekent dat een ruim deel van de niet-verzuimende werknemers geen vrije toegang hebben tot het spreekuur van de bedrijfsarts.Maar ook in het geval van verzuim is contact met de bedrijfsarts niet gegarandeerd. In veel gevallen wordt een werknemer begeleid door een verzuimconsulent of casemanager en besluiten deze of en wanneer de bedrijfsarts de werknemer zelf moet zien, bijvoorbeeld om een probleemanalyse te schrijven. Naar het oordeel van 58% van de geënquêteerde bedrijfsartsen houden casemanagers werkenden doorgaans te lang weg bij de bedrijfsarts.

De toegankelijkheid tot de bedrijfsarts wordt zo dus wezenlijk beperkt. Dit betekent dat werknemers geen mogelijkheid hebben om vragen over arbeidsomstandigheden of (beginnende) gezondheidsproblemen voor te leggen. De mogelijkheid tot preventie wordt zo beperkt en beroepsziekten die niet tot verzuim leiden worden zo niet gesignaleerd. Er is daarom veel voor te zeggen om een vrije toegang tot het arbeidsomstandighedenspreekuur van de bedrijfsarts weer verplicht te stellen. Toetsing op naleving van deze verplichting is dan van belang. Van de ondervraagde bedrijfsartsen is 86% het (zeer) eens met de stelling dat het voor het verbeteren van de positie van de bedrijfsarts noodzakelijk is dat het arbeidsomstandighedenspreekuur weer in de wet wordt opgenomen. Dit vraagt echter om meer dan alleen het herinvoeren in de wet. Zoals eerder aangegeven in paragraaf 4.2.1 zijn er verscheidene randvoorwaarden die de toegankelijkheid bepalen. Voor het arbeidsomstandighedenspreekuur gelden in het bijzonder de bekendheid met de toegang en de vertrouwensrelatie tussen werknemer en bedrijfsarts. Het optimaliseren van deze randvoorwaarden kan gezien worden als een gezamenlijke taak van arbodienstverleners en sociale partners. Herhaalde voorlichting over de rol, taken en positie van de bedrijfsarts is dusgewenst om de toegang tot het arbeidsomstandighedenspreekuur te bevorderen.
Een andere belangrijke randvoorwaarde bij het arbeidsomstandighedenspreekuur is dat werknemers dit spreekuur vertrouwelijk kunnen bezoeken en dat de anonimiteit van dit bezoek bijvoorbeeld niet onbedoeld doorbroken wordt, bijvoorbeeld doordat hun naam genoemd wordt in de facturering aan de werkgever. Daarnaast moet worden onderzocht in hoeverre er naast het klassieke spreekuur ruimte is voor laagdrempelige alternatieven, bijvoorbeeld in de vorm van een digitaal arbeidsomstandighedenspreekuur. Door verschillende actoren die zijn geraadpleegd in het onderzoek is geopperd dat bij wettelijke verplichting de financiering van dit spreekuur zou kunnen worden ondergebracht in de Zorgverzekeringswet. Dit met als overweging dat het arbeidsomstandighedenspreekuur zo toegankelijke wordt voor alle werknemers (en wellicht ookvoor anderen zoals ZZP-ers, mantelzorgers en studenten) en de zorgverzekeraars baat hebben bij preventief advies. Andere actoren wijzen dit idee nadrukkelijk af: als een verplicht arbeidsomstandighedenspreekuur al gewenst is, moeten de kosten worden gedragen door de werkgever als direct belanghebbende, mede om te vermijden dat de zorgpremies omhoog moeten.

 
blz 90
Op basis van de enquête onder bedrijfsartsen kan geconcludeerd worden dat anno 2011 de activiteiten in het kader van verzuimbegeleiding en re-integratie voor bedrijfsartsen het grootste deel (67%) van hun werkzaamheden vormen [tabel 3.32]. Rond een kwart van de werkzaamheden worden besteed aan preventieve activiteiten zoals PAGO/PMO en aanstellingskeuringen (7%), arbeidsomstandighedenspreekuur (9%), en preventieve activiteiten op het gebied van arbeidsrisico’s, inclusief RI&E (4%) en preventie ten aanzien van leefstijl/vitaliteit (4%). Van de bedrijfsartsen is 80% van mening dat men meer de gelegenheid zou moeten hebben om preventieve activiteiten rond arbeidsrisico’s te ondernemen dan nu het geval is [tabel 3.47]. 70% vindt dit ook ten aanzien van preventie rond leefstijl/vitaliteit. In de recente ledenraadpleging van de NVAB [38] geeft ook 79% van de leden aan dat, door de nadruk op verzuim, de aandacht voor preventie in het takenpakket van de bedrijfsarts op de achtergrond is geraakt. Rond de 69% vindt werken aan duurzame inzetbaarheid een kernonderdeel van het takenpakket en 60% geeft aan ook de kans te krijgen om hieraan te werken bij hun werkgevers. Van alle geënquêteerde werkgevers geeft 36% aan dat hun bedrijfsarts ook actief is met de preventie van arbeidsrisico’s op de werkvloer [tabel 3.42]. Daarnaast zegt 31% dat dit het geval is voor het bevorderen van een gezonde leefstijl. Van de werknemers zegt 25% dat hun bedrijfsarts actief is met de preventie van arbeidsrisico’s en 27% ten aanzien van het bevorderen van een gezonde leefstijl. Conform de arbeidsomstandighedenwet dienen werkgevers hun werknemers in de gelegenheid te stellen om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan gericht op werkgebonden risico’s. Van alle werkgevers geeft 51% aan dat in de afgelopen 5 jaar de werknemers in de gelegenheid zijn gesteld om een dergelijk onderzoek te ondergaan via de bedrijfsarts/arbodienst; bij de werknemers meent 25% dat hen die kans is geboden [tabel 3.43].

Blz. 113
6 SLOTBESCHOUWING

Het huidige systeem van arbozorg kenmerkt zich door een getrapt systeem.
De werkgever moet zich in eerste instantie laten onder steunen door deskundige werknemers uit zijn bedrijf, in aanvulling daarop door andere interne deskundigen en voor de aanvullende deskundige bijstand door een bedrijfsarts of andere kerndeskundige. Voor de begeleiding in het kader van ziekteverzuim en re-integratie en voor het doen verrichten van aanstellingskeuringen en arbeidsgezondheidskundig onderzoek neemt de bedrijfsarts een centrale positie in. In dit onderzoek is deze positie geëvalueerd, met name waar het gaat om de thema’s toegankelijkheid, onafhankelijkheid, preventieve taken en samenwerking. Op grond van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van alle onderzoeksthema’s in de praktijk knelpunten bestaan die de positie van de bedrijfsarts onder druk zetten en een optimale arbodienstverlening aan zowel werknemers als werkgevers belemmeren. De meeste knelpunten hebben betrekking op een deel van de bedrijfsartsen en niet op de populatie als geheel. Een verklaring hiervoor is dat veel knelpunten gerelateerd zijn aan één of meerdere van de volgende factoren: type organisaties waar de bedrijfsarts voor werkt (midden- en kleinbedrijf versus grootbedrijf), inhoud van het contract dat is afgesloten, de werksituatie van de bedrijfsarts (werkzaam bij externe- of interne arbodienst of als zelfstandig bedrijfsarts) en/of de competenties van de bedrijfsarts (onder andere kennis en vaardigheden). Op grond van het onderzoek kan worden geconstateerd dat bedrijfsartsen die werken voor het midden- en kleinbedrijf en/of bij een externe arbodienst de meeste knelpunten ervaren ten aanzien van hun positie. Ondanks de gesignaleerde knelpunten kan overigens ook worden geconcludeerd dat zowel de geënquêteerde werkgevers als werknemers hun bedrijfsarts gemiddeld een ruim voldoende rapportcijfer geven.

Een andere conclusie die uit het onderzoek kan worden getrokken is dat veel van de gesignaleerde knelpunten niet op zichzelf staan, maar een samenhang met elkaar vertonen. Wanneer er geen vertrouwensrelatie is tussen werknemer en werkgever, zal dit voor de werknemer bijvoorbeeld ook een negatief ‘psychologisch’ effect hebben op de toegang tot de bedrijfsarts. De verschillende knelpunten op de vier onderzoeksthema’s dienen dan ook in hun samenhang te worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de gepresenteerde oplossingsrichtingen. Binnen de kaders van dit onderzoek is het niet mogelijk geweest om een nadere analyse of verdieping te doen op de gesignaleerde knelpunten. Een aantal knelpunten vraagt naar onze mening om nader onderzoek. In het bijzonder geldt dit voor de achterliggende factoren voor de gesignaleerde knelpunten rond de onafhankelijkheid van bedrijfsartsen, vragen rond de kosteneffectiviteit van de inzet van de bedrijfsarts, de samenwerking tussen casemanagers en bedrijfsartsen en de financieringssystematiek bij verwijzingen. Binnen het Nederlandse systeem van arbodienstverlening is sprake van marktwerking. Het onderzoek geeft indicaties dat een deel van de knelpunten een gevolg zijn van deze marktwerking. Andere knelpunten zijn het gevolg van het feit dat werkgevers de grenzen van de wet opzoeken.

Verder maakt het onderzoek ook duidelijk dat een aanzienlijk deel van de bedrijfsartsen zonder grote knelpunten kan opereren. Dit pleit er naar onze mening voor om de discussie niet te zeer te focussen op de ‘houdbaarheid’ van het huidige wettelijke systeem van arbozorg. Veel van de knelpunten en de gepresenteerde oplossingen laten zien dat deze eerder te maken hebben met verbetering van schakels in het proces, dan met grote systeemknelpunten. Wel is meer aandacht nodig voor toetsing op naleving van wettelijke eisen en dient naar onze mening de wettelijke herinvoering van het arbeidsomstandighedenspreekuur te worden overwogen, in combinatie met goede voorlichting hierover richting werknemers door diverse partijen. Geadviseerd wordt om de oplossingen onder andere te zoeken in concrete afspraken tussen de sociale partners en de arbobranche over het basispakket voor een bepaalde sector conform de geldende wet- en regelgeving.

Zowel de beroepsgroep, de arbodiensten als de sociale partners hebben hierbij een eigen verantwoordelijkheid. De professionalisering van de beroepsgroep (middels opleiding van voldoende bedrijfsartsen, bij- en nascholing gericht op gesignaleerde knelpunten en visitatie gericht op het toepassen van richtlijnen) is een belangrijk aandachtspunt. Omdat in de komende jaren een ruim percentage van de bedrijfsartsen met pensioen gaat dienen de NVAB, Boaborea en de overheid na te gaan hoe een groter aantal artsen kan worden opgeleid tot bedrijfsarts. Hiervoor wordt aanbevolen de mogelijkheden van een opleidingsfonds te verkennen. Daarnaast kan worden nagegaan om ook zoals in de gezondheidszorg gebeurt, verder te verkennen welke bedrijfsartstaken door andere professionals kunnen worden overgenomen. Nederlandse bedrijfsartsen zullen de komende jaren worden geconfronteerd met een aantal ontwikkelingen die van invloed zijn op hun werkzaamheden:
De beroepsbevolking vergrijst en ontgroent, werknemers zullen langer moeten doorwerken. De aandacht voor duurzame inzetbaarheid neemt toe.


Om de tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen zullen werknemers die buiten het arbeidsproces staan in nog sterkere mate dienen te worden gere-integreerd conform het motto ‘werken naar vermogen’. Het ‘nieuwe werken’ introduceert nieuwe organisatievormen van arbeid die mogelijk nieuwe arbeidsrisico’s met zich meebrengen.  
Een steeds grotere groep Nederlanders werkt als ZZP’er, vooralsnog zonder arbeidsgeneeskundige begeleiding.  Als gevolg van de vergrijzing en afnemende instroom van artsen in de opleiding tot bedrijfsarts ontstaat er krapte binnen de bedrijfsartsenpopulatie. Meer bedrijfsartsen zullen als zelfstandig bedrijfsarts gaan werken. Al deze ontwikkelingen vragen om een stevige en transparante positie van de bedrijfsarts binnen het stelsel van arbodienstverlening. De oplossingsrichtingen zoals zijn geschetst in dit rapport bieden hiervoor een leidraad. Hierbij is het echter wel van belang om in acht te nemen dat binnen dit onderzoek de bedrijfsarts centraal stond. Deze positie kan echter niet los worden gezien van de werking van het breder stelsel van arbodienstverlening. In dat kader verdient het dan ook aanbeveling om de resultaten van het in dit rapport beschreven onderzoek, alsmede de gepresenteerde oplossingsrichtingen, in samenhang met recente en lopende onderzoeken rond evaluatie van de arbeidsomstandighedenwet en aanpalende thema's (zoals de recente evaluatie van het NCvB [18]) te zien. Op basis van een dergelijke samenhangende analyse kunnen vervolgens concrete en samenhangende beleidsprioriteiten worden geformuleerd, die uiteindelijk bijdragen aan een betere werking van het huidige stelsel en hiermee de gezondheid en veiligheid van werknemers en de begeleiding van verzuimende werknemers. Hierbij ligt een gedeelde verantwoordelijkheid voor arbodienstverleners, overheid en sociale partners. Wij hopen dat deze partijen in dit rapport hiervoor voldoende aanknopingspunten vinden.


Bron

PROFESSIONEEL STATUUT VAN DE BEDRIJFSARTS

1.Overwegingen

1.1.Het professioneel statuut van de bedrijfsarts (in het vervolg: het professioneel statuut) is bedoeld om de professionele onafhankelijkheid (autonomie) van de bedrijfsarts,werkzaam bij een arbodienst, te borgen.

1.2.Het professioneel statuut is een door de beroepsgroep van bedrijfsartsen onafhankelijk opgesteld zelfstandig document, gericht op de specifieke beroepsuitoefening van de bedrijfsarts. De Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) aanvaardt dit professioneel statuut van de bedrijfsarts als een nadere invulling van het professioneel statuut van de BOA dat is gericht op de specifieke beroepsuitoefening van alle in de arbodienst werkende professionals.

1.3.Het professioneel statuut is van toepassing voor alle bedrijfsartsen, werkzaam in de arbodienst.

1.4.Alle artsen, werkzaam in de functie van bedrijfsarts dan wel zodanige werkzaamheden verrichtend op het gebied van arbeid en gezondheid dat van functioneren als bedrijfsarts mag worden gesproken, dienen geregistreerd te zijn als bedrijfsarts of als verzekeringsgeneeskundige, mits de voor erkenning als deskundige voor arbeids en bedrijfsgeneeskunde verplichte cursorische bijscholing is gevolgd of dienen in de gelegenheid te worden gesteld de voor registratie als bedrijfsarts vereiste opleiding te volgen.

1.5. Het professioneel statuut van de bedrijfsarts is van overeenkomstige toepassing op andere artsen werkzaam in de arbodienst op het terrein van arbeid en gezondheid (zie ook artikel 8.2 en 9.6.).

1.6.Dit professioneel statuut is onverbrekelijk verbonden met het kwaliteitssysteem van de arbodienst.

1.7.De arbodienst als werkgever van de bedrijfsarts is eind verantwoordelijk voor de totale dienstverlening.

1.8.De bedrijfsarts maakt deel uit van een multidisciplinaire groep van beroepsbeoefenaren (arboteam) en is als zodanig mede verantwoordelijk voor het niveau van de arbodienstverlening van dat team.

1.9.De bedrijfsarts maakt deel uit van een monodisciplinaire groep van bedrijfsartsen en is als zodanig mede verantwoordelijk voor de door die     beroepsgroep geleverde zorg (in brede zin: kennis, vaardigheden, medisch handelen in het algemeen, kwaliteitsontwikkeling,etc.), de goede samenwerking met andere geledingen van de gezondheidszorg en de ontwikkeling van het eigen vakgebied: de arbeids-en bedrijfs-geneeskunde.

2.Definities

2.1.Onder bedrijfsarts wordt verstaan:de arts, deskundige op het gebied van de arbeids en bedrijfsgeneeskunde, ingeschreven in het register van sociaal geneeskundigen tak arbeids en bedrijfsgeneeskunde, of de arts geregistreerd als sociaal geneeskundige in de hoofdstroom arbeid en gezondheid met als deskundigheidsprofiel bedrijfsarts, of de arts die hiervoor in opleiding is (zie ook artikel 9.6.).

2.2.Onder onderneming wordt verstaan: iedere vorm van onderneming of instelling.

2.3.Onder werkgever wordt verstaan: de klant van de arbodienst.

2.4.Onder arbodienst wordt verstaan: de werkgever van de bedrijfsarts.

2.5.Onder werknemer/cliënt wordt verstaan: de werknemer werkzaam bij een klant van de arbodienst.

2.6.Onder professionele onafhankelijkheid (autonomie) wordt verstaan: de vrijheid van oordeelsvorming, handelen en advisering van de bedrijfsarts (gegeven de wettelijke kaders, de professionele standaard en de maatschappelijke normen en waarden) ten aanzien van de preventie van beroepsziekten en arbeidsgebonden aandoeningen en ten aanzien van de zorg voor het behoud en de bevordering van de gezondheid en arbeidsgeschiktheid (inclusief de beoordeling daarvan en het geven van werkhervattingsadviezen). De professionele onafhankelijkheid heeft zowel betrekking op de individuele arts-cliënt-relatie als op de relatie met groepen van cliënten en (delen van) de onderneming.

3.Plichten van de bedrijfsartsen t.o.v. de werknemer/hulpvrager/cliënt

3.1.De bedrijfsarts is gehouden aan wettelijke regelingen, zoals de Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst (WGBO; in het verlengde van de wettelijke verplichting van de arbodienst), de Wet Beroepsuitoefening Individuele Gezondheidszorg (BIG) en de geheimhoudingsplicht.

3.2.De bedrijfsarts is werkzaam conform de richtlijnen en standaarden van de NVAB ter zake(zie ook artikel 9.4.)

3.3. De bedrijfsarts is persoonlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn beroepsuitoefening, in het bijzonder van het professioneel medisch handelen.

3.4. De bedrijfsarts heeft een individuele verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de organisatie van de zorgverlening alsmede voor de advisering en begeleiding van de cliënt of groep van cliënten die aan zijn medische zorg is toevertrouwd (zie ook artikel 9).

4.Plichten van de bedrijfsarts t.o.v. de onderneming

4.1. De bedrijfsarts dient zich niet alleen te richten op de individuele werknemer, maar ook op de bedrijfspopulatie als geheel en het totale arbozorg systeem inclusief het verzuimbeleid van de onderneming.

5.Plichten van de bedrijfsarts t.o.v. de arbodienst

5.1.De bedrijfsarts handelt conform het professioneel statuut.

5.2.De bedrijfsarts onderschrijft de doelstellingen van de arbodienst voor zover die niet strijdig zijn met het professioneel statuut en/of relevante wetgeving.

5.3. De bedrijfsarts voert de dienstverlening zowel in mono als in multidisciplinaire samenwerking uit.

5.4.De bedrijfsarts draagt bij aan de ontwikkeling van de kwaliteit van de arbodienstverlening en het voldoen aan vereisten voor certificering van de arbodienst.

6. Plichten van de arbodienst t.o.v. de bedrijfsarts

6.1.De arbodienst draagt er zorg voor dat de bedrijfsarts in staat is de verplichtingen die voortvloeien uit het professioneel statuut na te komen.

6.2.Het professioneel statuut dient onderdeel te zijn van het kwaliteitssysteem van de arbodiensten naleving daarvan is dus een vereiste voor de certificering.

6.3.De arbodienst waarborgt dat contractafspraken van de arbodienst met een werkgever niet strijdig zijn met het professioneel statuut.

6.4.De procedure van totstandkoming van contracten is opgenomen in het kwaliteits-systeem van de arbodienst. In deze procedure is de professionele betrokkenheid vastgelegd. De arbodienst erkent het recht van de bedrijfsarts en/of een vertegenwoordiging van bedrijfsartsen werkzaam in de arbodienst, bezwaar aan te tekenen tegen een contract dat elementen bevat die strijdig zijn met dit professioneel statuut.

6.5.De arbodienst verschaft de bedrijfsarts zowel de benodigde tijd als de benodigde personele, instrumentele professionele standaarden en richtlijnen van de bedrijfsarts, algemene normen en waarden en wat gebruikelijk is in de gezondheidszorg).

6.6. De arbodienst bevordert een laagdrempelige toegang tot de bedrijfsarts voor de werknemers en de leidinggevenden.

6.7. De arbodienst zorgt ervoor dat er een geschillenregeling professioneel statuut is binnen de arbodienst (zie ook artikel 10).

6.8. De arbodienst stelt een commissie in, die een reglement en criteria opstelt voor de intercollegiale toetsing en toeziet op een goede uitwerking.

7. Medische dossiervorming

7.1. De bedrijfsarts dient als arts en als medewerker van de arbodienst het ter zake gestelde in de Wet op de PersoonsRegistratie (WPR) en WGBO na te leven (zie ook artikel 3.1.). De arbodienst dient daarvoor de voorwaarden te scheppen.

8. Kwaliteitsborging en bevordering

8.1. De arbodienst borgt de kwaliteit van het medisch handelen en het handhaven van de normen van de medische ethiek door middel van haar kwaliteitssysteem (zie ook artikel 6).

8.2. De arbodienst draagt er zorg voor dat alle artsen bij haar werkzaam in de functie van bedrijfsarts binnen een periode van 2 jaar na aanvang van het dienstverband in staat gesteld worden om, via de daartoe erkende opleidingen een inschrijving te verwerven in het register van sociaal-geneeskundigen in de hoofd stroom arbeid en gezondheid met als deskundigheidsprofiel bedrijfsarts, voor zover zij niet reeds ingeschreven zijn.

8.3. De arbodienst stelt de bedrijfsarts in de gelegenheid en draagt zorg voor deelname aan na-en bijscholing ter bevordering van de professionele deskundigheid en ten behoeve van de (her)registratie als bedrijfsarts.

9.Professioneel handelen

9.1.De bedrijfsarts is onafhankelijk in zijn professionele oordeelsvorming, medisch handelen en de inhoud van de advisering en is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn professionele beroepsuitoefening en de kwaliteit van handelen. Hij baseert zich hierbij mede oprichtlijnen en standaarden van de beroepsgroep, die kunnen fungeren als inhoudelijke toetssteen van de professionele onafhankelijkheid.

9.2. De bedrijfsarts handelt conform ter zake wettelijke kaders (o.a. Arbowet, wet TZ, WULBZ,WGBO, BIG), algemeen geldende KNMG- richtlijnen en codes, en door de BOA, de NVAB en de KNMG gezamenlijk aanvaarde regelingen.

9.3. Bij ziekteverzuim van werknemers heeft de bedrijfsarts een begeleidende taak. Beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid en het geven van werkhervattings-adviezen vormen daar een onderdeel van, claimbeoordeling en controle niet.

9.4. De bedrijfsarts oefent zijn functie uit conform het beroepsprofiel van de bedrijfsarts en de Beroepscode voor bedrijfsartsen.

9.5. De bedrijfsarts neemt actief deel aan intercollegiale toetsing.

9.6.Zolang de arts, werkzaam bij de arbodienst (nog) niet voldoet aan de definitie van bedrijfsarts of hiervoor in opleiding is (zie artikel 2.1.),  werkt hij voor wat betreft bedrijfsgeneeskundige taken onder supervisie van een bedrijfsarts.

10.Geschillen ten aanzien van het professioneel statuut

10.1. De BOA en de NVAB stellen een geschillencommissie in welke tot taak heeft het interpreteren en uitleggen van (artikelen van) het professioneel statuut.

10.2.Deze geschillencommissie bestaat uit twee leden benoemd door de BOA en twee leden benoemd door de NVAB. Deze leden benoemen gezamenlijk een (onafhankelijke) voorzitter.

10.3.Deze geschillencommissie doet een uitspraak ter zake van nadere uitleg van het professioneel statuut in alle gevallen wanneer een belanghebbende daarom vraagt. De NVAB en de BOA spreken uit adviezen van deze commissie als zwaarwegend te beschouwen.

10.4.De geschillencommissie stelt een reglement op dat de instemming behoeft van de BOA en de NVAB 


De onafhankelijke bedrijfsarts.

Eindelijk verstandige berichten, nu nog even afwachten of Mafia woordvoerder Wientjes tegenstribbelt. De Boefjes van het KNV hebben de komende weken waarschijnlijk buikpijn van de spanning. Hoe moeten ze het aanpakken om de mishandeling van het personeel verborgen te houden voor de onafhankelijke bedrijfsarts. Schieten buschauffeurs er wat mee op als we gezondheidsproblemen bespreken met een onafhankelijke arts terwijl de arbodienst na twintig jaar iets moet gaan doen wat ze al die tijd niet gedaan hebben.

 

FNV pleit voor onafhankelijke bedrijfsarts

Bron

De FNV wil een onafhankelijke bedrijfsarts, die zijn aandacht kan richten op objectief medisch handelen als de zieke werknemer wordt behandeld in het kader van verzuim. Dat blijkt niet mogelijk als die bedrijfsarts enerzijds wordt betaald door een werkgever en anderzijds de zieke werknemer moet begeleiden naar herstel. Arbodiensten zouden zich vooral moeten richten op preventie en veiligheidsbeleid in de bedrijven. Wettelijke aanpassing is daarom nodig.

Met het nog warme SER-advies ‘Betere zorg voor werkenden. Een visie op de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg’ op zak, hoopt de FNV dat minister Asscher actie zal ondernemen om de huidige structuur van arbodienstverlening op te heffen.

Vertrouwen

FNV-vicevoorzitter Ruud Kuin ziet genoeg redenen om de koers te wijzigen. ‘In de SER hebben we unaniem geconstateerd dat de huidige bedrijfsarts te weinig weet van beroepsziekten, vrijwel niets doet aan preventie en onvoldoende sectorspecifieke kennis bezit. De bedrijfsarts is moeilijk toegankelijk voor werknemers en wordt onvoldoende vertrouwd. Ook is er onvoldoende samenwerking tussen de bedrijfsarts en huisarts.’

Preventie

Een onafhankelijke bedrijfsarts is essentieel voor betere verzuimbegeleiding en preventie. Het huidige systeem heeft te veel prikkels als het gaat om verzuim en te weinig als het gaat om preventie. Kuin: ‘De werknemer wordt opgelapt en mag weer naar dezelfde, ziekmakende werkomgeving. Dit heeft niks te maken met duurzame inzetbaarheid. Bovendien gaat er in die ziekteverzuimbegeleiding te veel fout en worden privacyregels geschonden.’

Vrije markt

Werkgevers kiezen ervoor om de gewenste veranderingen in het huidige stelsel over te laten aan de vrije markt. Kuin: ‘In feite geven ze daarmee geen weg aan om de doelen te bereiken. Iedereen weet dat niets vanzelf gaat, behalve het op- en ondergaan van de zon. Wij hopen dan ook dat minister Asscher maatregelen neemt.’